Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep op 20 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.
In het verzet is aangevoerd dat de enkele vermelding dat nog geen besluit is genomen voldoende is als beroepsgrond. De rechtbank oordeelt anders dan voorheen en verklaart het verzet gegrond. De eerdere uitspraak wordt vernietigd en het onderzoek wordt hervat in de stand van voor die uitspraak.
De rechtbank benadrukt dat het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet gebonden is aan een termijn en dat een formele niet-ontvankelijkverklaring vaak leidt tot onnodige aanvullende procedures. Daarom zal zij voortaan dergelijke beroepen niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van gronden alleen in bijzondere omstandigheden.
De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van opposanten tot een bedrag van €226,75. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.