ECLI:NL:RBDHA:2025:13157

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
NL24.41201v
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake asielaanvraag en machtiging tot voorlopig verblijf

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 juli 2025 uitspraak gedaan in een verzetprocedure. De opposanten, bestaande uit meerdere eisers met V-nummers, hadden eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Dit beroep was op 20 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank, omdat de gronden ontbraken. De opposanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, hebben hiertegen verzet aangetekend, waarbij zij niet om een zitting vroegen. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of de eerdere beslissing om zonder zitting uitspraak te doen, terecht was. De rechtbank concludeerde dat de enkele vermelding dat er nog geen besluit was genomen, voldoende was om als beroepsgrond te kwalificeren. Dit leidde tot de conclusie dat de eerdere niet-ontvankelijk verklaring onterecht was, en het verzet gegrond werd verklaard. De rechtbank heeft de minister van Asiel en Migratie veroordeeld in de proceskosten van de opposanten, vastgesteld op € 226,75. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.41201 V

Uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[eiser 1] (V-nummer: [v-nummer 1]),

[eiser 2](V-nummer: [v-nummer 2]),
[eiser 3](V-nummer: [v-nummer 3]) en
[eiser 4](V-nummer: [v-nummer 4]),
hierna gezamenlijk aan te duiden als opposanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 in het geding tussen

opposanten,

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op (afzonderlijke) aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
Bij uitspraak van 20 januari 2025, gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden.
Opposanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat te Arnhem, hebben tegen deze uitspraak tijdig verzet ingediend. Zij hebben daarbij niet verzocht om over het verzet op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. In een verzetsprocedure wordt (uitsluitend) beoordeeld of de bestuursrechter ten onrechte heeft besloten om zonder zitting (en dus zonder de partijen ter zitting te horen) uitspraak te doen vanwege de kennelijke uitkomst van het beroep. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat omtrent de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden [1] .
2. Opposanten hebben in verzet aangevoerd dat een beroep niet tijdig naar zijn aard inhoudt dat eisers zich niet kunnen verenigen met het niet binnen de beslistermijn nemen van een besluit op de aanvragen. In het inleidend beroepschrift is duidelijk aangegeven dat het een beroep niet tijdig beslissen betreft, aldus opposanten.
3. De rechtbank is van oordeel dat het verzet gegrond moet worden verklaard en daartoe heeft zij het volgende overwogen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat opposanten beroep hebben ingediend middels een formulier (met kenmerk 94605-1). In dit formulier is – kort gezegd – aangegeven dat het om een beroepschrift gaat, betreffende regulier, ten behoeve van opposanten. Verder staat op het formulier onder het kopje “Omschrijving bestreden besluit” vermeld: “Is er een besluit genomen”, met daarachter “Nee”. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van beroep ontbraken. De rechtbank heeft in het beroepschrift niet de stelling gelezen dat het besluit te laat is genomen. [2] Eiser heeft desgevraagd ook niet het verzuim hersteld, maar enkel een ontvangstbevestiging van een ingebrekestelling overgelegd. Daarmee was niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
3.2.
Hoewel de rechtbank het zeer ongewenst acht dat gemachtigden slechts een summier ingevuld formulier overleggen en geen (aanvullende) beroepsgronden waarin zij (minstens) expliciet opmerken dat een bepaald besluit te laat is genomen, is zij anders dan voorheen (in het kader van rechtseenheid en om proceseconomische redenen) thans van oordeel dat de enkele vermelding dat nog geen besluit is genomen, voldoende is om als grond van beroep als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb te kwalificeren. De rechtbank overweegt daartoe dat het summier ingevulde formulier voldoende informatie bevat op grond waarvan de rechter met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden kan aanvullen en kan vaststellen dat het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat haar ambtshalve is gebleken dat enkel deze zittingsplaats een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag of een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf niet-ontvankelijk verklaart als het bovengenoemd formulier wordt gebruikt en er geen (aanvullende) beroepsgronden worden ingediend. Verder acht de rechtbank van belang dat ook de rechtszekerheid in dit geval niet is gediend met een (formele) niet-ontvankelijkverklaring. Het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan immers zolang een bestuursorgaan in gebreke blijft een besluit te nemen en is niet gebonden aan een termijn. [3] Dat brengt met zich dat uitspraken met een (formele) niet-ontvankelijkverklaring in de praktijk veelal tot aanvullende procedures leiden waarmee zowel de rechtbank als verweerder (verder) belast worden, hetgeen de rechtbank ook om proceseconomische redenen ongewenst acht. Zij zal voortaan dus niet meer in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag of een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (waarbij vermeld is dat geen besluit is genomen) aan partijen tegenwerpen dat zij geen gronden hebben ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
4. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat zij in de uitspraak van 20 januari 2025 ten onrechte het beroep kennelijk, en dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk heeft verklaard en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Van andere voor het verzet voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van opposanten tot een bedrag van € 226,75.
Aldus vastgesteld door mr. G.J. Krens, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 21 juli 2025.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.
2.Zie artikel 3.1, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
3.Zie artikel 6:12, eerste lid, van de Awb.