In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 juli 2025 uitspraak gedaan in een verzetprocedure. De opposanten, bestaande uit meerdere eisers met V-nummers, hadden eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Dit beroep was op 20 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank, omdat de gronden ontbraken. De opposanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, hebben hiertegen verzet aangetekend, waarbij zij niet om een zitting vroegen. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of de eerdere beslissing om zonder zitting uitspraak te doen, terecht was. De rechtbank concludeerde dat de enkele vermelding dat er nog geen besluit was genomen, voldoende was om als beroepsgrond te kwalificeren. Dit leidde tot de conclusie dat de eerdere niet-ontvankelijk verklaring onterecht was, en het verzet gegrond werd verklaard. De rechtbank heeft de minister van Asiel en Migratie veroordeeld in de proceskosten van de opposanten, vastgesteld op € 226,75. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.