ECLI:NL:RBDHA:2025:13164

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28624 en NL25.28625
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken beroepsgronden

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb.

De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5 Awb Pro. Eiser werd in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen alsnog gronden in te dienen, maar heeft hieraan niet voldaan. Vervolgens is eiser nogmaals gevraagd om binnen drie werkdagen te reageren op het ontbreken van gronden en te melden of er een verschoonbare reden voor het verzuim was, maar ook hierop bleef uit.

De rechtbank concludeerde dat het verzuim niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Tevens werd beslist dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier R. de Mul en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet verschoonbaar zijn van het verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Dat zijn de punten waarop degene die beroep instelt het niet eens is met het bestreden besluit.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. Daarom heeft de rechtbank op 30 juni 2025 aan eiser gevraagd om binnen vijf werkdagen alsnog gronden in te dienen. Hierbij is meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien de gronden niet binnen die termijn alsnog worden ingediend.
4. Eiser heeft binnen de door de rechtbank gestelde termijn geen gronden ingediend. Bij bericht van 8 juli 2025 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd om binnen drie werkdagen kenbaar te maken of het juist is dat binnen de herstelverzuimtermijn geen beroepsgronden zijn ingediend en zo ja, of daarvoor een verschoonbare reden is. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
5. Niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.