ECLI:NL:RBDHA:2025:13174
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Mozambique ondanks beroep op verblijfsrechten EU
Verzoekster maakte bezwaar tegen haar feitelijke uitzetting naar Mozambique en vroeg een voorlopige voorziening om deze uitzetting te voorkomen. Zij baseerde haar verzoek op het recht om zich te vestigen in Portugal bij haar Italiaanse zoon, beroepend op de Verblijfsrichtlijn 2004/38 en haar Portugese voorouders.
De minister voerde verweer dat verzoekster geen aanvraag had ingediend op grond waarvan haar gestelde verblijfsrechten onderzocht konden worden, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk zou moeten zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek wel ontvankelijk was, maar dat zonder een aanvraag de minister niet kon vaststellen of verzoekster een Europees verblijfsrecht heeft.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster niet had voldaan aan de vereisten van artikel 20 VWEU Pro en ook niet had aangetoond dat zij familielid is in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Ook was er geen bewijs voor bijzondere omstandigheden zoals psychiatrische problematiek die een uitstel zou rechtvaardigen.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het algemeen belang van uitzetting van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en kan de uitzetting doorgaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Mozambique wordt afgewezen.