ECLI:NL:RBDHA:2025:13181
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, met de Oezbeekse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland niet meer geldt vanwege tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hij voerde aan dat hij in Duitsland slachtoffer was geweest van geweld, slechte opvang en discriminatie, wat psychische problemen veroorzaakte.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Duitse systeem zodanige tekortkomingen vertoont dat overdracht aan Duitsland een reëel risico inhoudt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de individuele omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen. Het bestreden besluit was zorgvuldig gemotiveerd en het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen connexiteit meer bestond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 22 juli 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard.