ECLI:NL:RBDHA:2025:13236
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verlening aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 9 juli 2025 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene, geboren in 1978. Betrokkene werd vertegenwoordigd door een advocaat die zich verzette tegen het verzoek, stellende dat het verzoekschrift onvoldoende gemotiveerd was en dat betrokkene geen verzet pleegde tegen zorg. De casemanager rapporteerde dat betrokkene herhaaldelijk geprobeerd had te stoppen met cannabisgebruik, maar zonder blijvend succes, wat leidde tot verwardheid en medicatietrouwproblemen, met recente incidenten van agressie.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was, omdat het verzoekschrift voldoende gemotiveerd was door verwijzing naar het zorgplan en de verklaring van de geneesheer-directeur. Betrokkene lijdt aan een schizo-affectieve stoornis en problematisch cannabisgebruik, wat leidt tot ernstig nadeel zoals verwaarlozing, agressie en maatschappelijke teloorgang. Vrijwillige zorg is niet mogelijk vanwege het gebrek aan ziektebesef.
De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatietoediening, medische controles, beperkingen in de vrijheid, bewegingsbeperkingen, insluiting, toezicht, en onderzoek van kleding en woonruimte. De machtiging geldt tot 20 juni 2026. De zorg is evenredig, effectief en gericht op herstel van autonomie en stabilisatie van de gezondheid.
Uitkomst: De rechtbank verleent een aansluitende zorgmachtiging tot 20 juni 2026 voor verplichte zorg aan betrokkene.