Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen
V.O.F. BR Cars, gevestigd te Rotterdam, eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil6.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- of de verschuldigde Bpm bepaald kan worden aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);
- of verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 31% is gesteld;
- of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld;
- of meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn;
- of de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod);
- of eiseres in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.”