De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, die sinds juni 2025 met hun ouders in Nederland verblijven en langdurig dakloos en zwervend zijn geweest. De kinderen verbleven tijdelijk in opvanglocaties, maar werden steeds weggestuurd vanwege incidenten en grensoverschrijdend gedrag. De ouders zijn BRP-ongeregistreerd en hebben geen vaste woon- of verblijfplaats. De kinderen vertoonden ernstige problemen zoals vervuilde kleding, gebitsproblemen en het ontbreken van onderwijs.
De kinderrechter acht de zaak internationaal van aard en is bevoegd op grond van Brussel II ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk vanwege het acuut en ernstig bedreigde welzijn van de kinderen. De kinderen worden geplaatst in een gezinshuis waar zij rust en stabiliteit kunnen krijgen. De ouders zijn het verzoek grotendeels eens, hoewel zij verdrietig zijn en hopen op terugkeer van de kinderen. De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek en benadrukt het belang van het behoud van contact tussen ouders en kinderen.
De kinderrechter wijzigt de categorie van het verzoek en machtigt de gecertificeerde instelling tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor drie maanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in hoger beroep aanvechtbaar binnen drie maanden. De beslissing is genomen in het belang van de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen en om verdere blootstelling aan onveilige omstandigheden te voorkomen.