Eiser, een minderjarige van Ethiopische nationaliteit behorend tot de Oromo-bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardig geachte problemen van eisers vader, de politieke activiteiten van eiser bij terugkeer en de vrees voor gedwongen rekrutering onvoldoende heeft betrokken in haar besluitvorming.
De rechtbank constateert dat de minister de vrees voor rekrutering ten onrechte niet als apart asielmotief heeft benoemd, maar dit gebrek kan worden gepasseerd omdat het inhoudelijk wel is getoetst. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn minderjarigheid en de situatie van zijn vader, niet als risico verhogend zijn meegewogen bij de beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
Ook is het standpunt van de minister over het ontbreken van gestructureerd overheidshandelen bij gedwongen rekrutering niet voldoende onderbouwd, wat leidt tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en wijst de minister aan binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met een mogelijke termijnverlenging tot twaalf weken bij nader onderzoek. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.814,- toegekend.