ECLI:NL:RBDHA:2025:13471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring wegens illegaal verblijf en weigering medewerking uitzetting

Eiseres, een Nigeriaanse vreemdeling, werd op 7 juni 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw). De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken, onder meer omdat zij zich eerder aan toezicht had onttrokken, geen vaste verblijfplaats had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte.

De rechtbank behandelde het beroep op 18 juli 2025. Eiseres weigerde te verschijnen in de telehoorruimte en tekende een afstandsverklaring. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtmatig was. De asielaanvraag van eiseres was buiten behandeling gesteld, en zij had een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd gekregen, waar zij geen gehoor aan gaf.

De rechtbank vond de zware gronden (onttrekking aan toezicht en niet opvolgen vertrekplicht) en lichte gronden (geen vaste woonplaats, onvoldoende middelen) feitelijk juist en voldoende voor de bewaring. Eiseres weigerde medewerking aan vertrekgesprekken, waardoor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbrak. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 7 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank, op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw, van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2025 op zitting behandeld. Het detentiecentrum in Zeist heeft laten weten dat eiseres niet naar de telehoorruimte wil komen. In het digitale dossier is vervolgens een door eiseres ondertekende afstandsverklaring geüpload. De gemachtigde van eiseres is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:
(
zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij mede de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De gemachtigde van eiseres vraagt zich af of staandehouding heeft mogen plaatsvinden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank staat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht gemotiveerd beschreven dat staandehouding, op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen redenen om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft, omdat haar asielaanvraag bij besluit van 30 mei 2025 buiten behandeling is gesteld, waarbij aan eiseres ook een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Hieraan heeft zij geen gevolg gegeven. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. Uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 25 maart 2020 [3] volgt dat, om de gronden 3b en 3c aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3b feitelijk juist is, omdat uit het dossier blijkt dat eiseres op 10 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Ook de grond 3c is feitelijk juist, omdat op 30 mei 2025 een meeromvattend besluit is genomen, waarin eiseres haar asielaanvraag buiten behandeling is gesteld en ook een terugkeerbesluit en inreisverbod aan haar is opgelegd. Eiseres heeft echter geen gevolg gegeven aan haar vertrekplicht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden en de niet betwiste lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiseres er door de minister ook op is gewezen dat eventuele medische behandeling in Detentiecentrum Zeist beschikbaar is. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Daar komt bij dat eiseres, zoals hiervoor onder 6. reeds aangegeven, zich aan het toezicht heeft onttrokken door op 10 mei 2025 met onbekende bestemming te vertrekken.
Voortvarendheid
8. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres. Zo stond op 9 juni 2025 en 23 juni 2025 een vertrekgesprek gepland, maar hebben deze gesprekken niet plaatsgevonden, omdat eiseres heeft geweigerd hieraan deel te nemen. Op 30 juni 2025 heeft wel een vertrekgesprek plaatsgevonden. Daarnaast is op 27 juni 2025 een kopie paspoort verzonden naar de DIA [4] en heeft de minister op 30 juni 2025 een lp [5] -traject richting Nigeria opgestart.
Zicht op uitzetting
9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Nigeria geen lp binnen een redelijke termijn aan eiseres zou kunnen verstrekken.
9.1.
Op eiseres rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiseres actieve en volledige medewerking aan haar uitzetting moet verlenen. Hieraan heeft eiseres tot op heden geen gevolg gegeven. Zoals hiervoor reeds vermeld heeft eiseres tweemaal geweigerd om deel te nemen aan een vertrekgesprek. Dat eiseres niet voldoende meewerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan haar worden toegerekend. Het zicht op uitzetting is ook hiermee gegeven.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Directie Internationale Aangelegenheden.
5.Laissez-passer.