ECLI:NL:RBDHA:2025:13490

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
C/09/687093 / JE RK 25-1087
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van een minderjarige met ernstige ontwikkelingsproblemen en de rol van de moeder en gecertificeerde instelling

In deze zaak heeft de kinderrechter op 9 juli 2025 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2008, die ernstige ontwikkelingsproblemen vertoont. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, omdat de minderjarige al meer dan een jaar niet naar school gaat en worstelt met zijn emoties en gevoelens. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, die ook autisme heeft, niet goed in zijn vel zit en dat er professionele hulp nodig is om hem te ondersteunen in zijn ontwikkeling. De moeder van de minderjarige is belast met het ouderlijk gezag, maar heeft moeite om de minderjarige te motiveren tot hulpverlening. De gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, heeft de zorgen van de Raad onderschreven, maar twijfelt of gedwongen hulp effectief zal zijn. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, gezien de ernst van de situatie en de noodzaak voor professionele begeleiding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling vastgesteld van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/687093 / JE RK 25-1087
Datum uitspraak: 9 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
Om officiële redenen moet hierboven de voornaam worden genoemd die is geregistreerd in de Basisregistratie personen (BRP). De kinderrechter zal [minderjarige] hierna bij de door hem gewenste voornaam noemen en de voornaamwoorden hij/hem/zijn gebruiken.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in Delft.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 19 juni 2025 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad van 17 juni 2025, ontvangen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om zijn mening te geven. [minderjarige] heeft naar aanleiding daarvan een e-mail gestuurd, waarin hij zich heeft afgemeld voor het gesprek met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door [naam 3] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De onderbouwing van het verzoek volgt uit het rapport van 17 juni 2025. Kort samengevat zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , omdat hij al meer dan een jaar niet naar school gaat en hij niet goed in zijn vel zit. Het lukt [minderjarige] niet om op een gezonde manier met gevoelens en emoties om te gaan. Er zijn periodes waarin hij zich neerslachtig voelt en zichzelf beschadigt. Daarbij speelt ook mee dat [minderjarige] aan de slag wil met zijn genderidentiteit en dat onderliggend sprake is van autisme, die een aantal jaar geleden is gediagnosticeerd. De grootste belemmering op dit moment is dat [minderjarige] geen professionele hulp wil en zegt voldoende steun te ervaren van vrienden. De Raad is echter van mening dat de vraagstukken in het leven van [minderjarige] zo groot zijn dat professionele hulp noodzakelijk is. Die is de afgelopen jaren veelvuldig geprobeerd in te zetten, maar trajecten slagen uiteindelijk niet zonder de medewerking van [minderjarige] . Ook de moeder is onvoldoende in staat gebleken om [minderjarige] hiertoe te bewegen. Hun relatie is gecompliceerd, omdat [minderjarige] niet tegen de moeder praat. Hij communiceert alleen met haar via Whatsapp, ook in huis. Er is systemische hulp nodig om hun relatie te herstellen. Aanvullend diagnostisch onderzoek is wenselijk om goed te kunnen bepalen wat goed bij [minderjarige] aansluit. De Raad vindt de periode van een jaar passend om de juiste hulpverlening te vinden en [minderjarige] te kunnen laten zien dat hij dan in zijn ontwikkeling kan groeien.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek. Zij wil graag dat [minderjarige] de hulp krijgt die hij nodig heeft. Zij wil ook graag leren hoe zij het beste met de situatie kan omgaan, omdat haar communicatie met [minderjarige] nog steeds zeer moeizaam verloopt.
4.2.
De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen maanden al kennis gemaakt met [minderjarige] en het gezin. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen van de Raad, maar betwijfelt of het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling het gewenste effect zal hebben op [minderjarige] . Van groter belang is dat iemand een vertrouwelijke klik met hem heeft en hem kan bereiken. De gecertificeerde instelling geeft de kinderrechter in overweging om het verzoek voor een periode van zes maanden toe te wijzen en voor het overige aan te houden, om te bezien of de ondertoezichtstelling doelmatig en effectief is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Uit de informatie blijkt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, omdat hij op meerdere gebieden vastloopt in zijn leven. [minderjarige] gaat niet of nauwelijks (één uur per week) naar school en worstelt meer dan de gemiddelde puber met onzekerheden. Er speelt ook bovengemiddeld veel in zijn leven en in zijn hoofd, waaronder een groot en levensbepalend vraagstuk over zijn genderidentiteit. De gedachten, gevoelens en emoties die daarbij komen kijken zijn ingewikkeld en [minderjarige] kon daar de afgelopen jaren niet goed mee omgaan. Zijn gedrag en handelen, in combinatie met de diagnose autisme, maken [minderjarige] bijzonder kwetsbaar. De grootste belemmering om [minderjarige] te ondersteunen in zijn proces en weerbaarder te maken is dat [minderjarige] een sterke eigen wil heeft en niets wil “moeten”. Door die houding zijn vele vormen van hulpverlening de afgelopen jaren niet geslaagd. Evenals de Raad vindt de kinderrechter professionele hulp wel noodzakelijk, naast de steun van het netwerk van vrienden bij wie [minderjarige] zich prettig voelt.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat de moeder wel bereid, maar niet bij machte is om de nodige zorg voor [minderjarige] daadwerkelijk te kunnen benutten. Dat heeft niet zozeer met haar medewerking te maken, maar met de houding van [minderjarige] ten opzichte van de hulpverlening en ten opzichte van haar. Hun onderlinge band is met de jaren ingewikkelder geworden en heeft nu een punt bereikt dat [minderjarige] niet meer tegen de moeder praat. De moeder kan [minderjarige] niet motiveren of aansturen. Ook voor het herstel van hun relatie is professionele hulpverlening noodzakelijk.
5.3.
Gezien de aard, ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging vindt de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor een jaar noodzakelijk en passend om te proberen [minderjarige] te bewegen tot het accepteren van professionele hulp en het hervatten van de schoolgang. De kinderrechter begrijpt het argument van de gecertificeerde instelling dat een gevoel van dwang bij [minderjarige] mogelijk niet helpend is. Daarom onderschrijft de kinderrechter ook het belang van nieuw diagnostisch onderzoek om te bepalen welke benadering en begeleiding passend is. De kinderrechter ziet echter geen meerwaarde in het beperken van de duur van de ondertoezichtstelling. Aannemelijk is dat er meer tijd nodig is om de hulp op te starten en een vertrouwensband op te bouwen. De kinderrechter is wat dat laatste betreft blij om te horen dat er meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor [minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025 door
mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De beschikking is schriftelijke vastgesteld op 23 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.