ECLI:NL:RBDHA:2025:13682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.18693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Frankrijk in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 22 april 2025 niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht aan Frankrijk te voorkomen totdat het beroep is behandeld.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een vergelijkbare zaak op 22 juli 2025 en sloot het onderzoek op 25 juli 2025. Gelet op de spoedeisendheid en het belang van verzoeker om de uitkomst van het beroep in Nederland af te wachten, en het belang van de minister om overdracht mogelijk te maken, maakte de rechter een belangenafweging.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het niet toestaan van de voorlopige voorziening zou leiden tot een onomkeerbare situatie, omdat de overdrachtstermijn zou verlopen. Daarom werd het verzoek toegewezen, het bestreden besluit geschorst en bepaald dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot overdracht aan Frankrijk wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18693

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL25.18692, op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is op 25 juli 2025 gesloten, waarna uitspraak is gedaan.

Overwegingen

2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 23 april 2025 verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, als tegen een besluit beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
4. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4.1.
De rechtbank heeft de zaak in beroep verwezen naar een behandeling in meervoudige kamer. De behandeling van het beroep zal om die reden langer duren. Een voorlopige voorziening is er voor bedoeld om in afwachting van een definitief oordeel over het geschil te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Daarbij dient de rechtbank een evenwichtige belangenafweging te maken. Bij deze afweging wordt rekening gehouden met zowel het belang van de vreemdeling om de uitkomst van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten, als het belang van de minister om een vreemdeling over te dragen indien een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Het niet beslissen op een verzoek om voorlopige voorziening om de enkele reden dat het verzoek in Nederland mag worden afgewacht, verdraagt zich niet met de opdracht aan de voorzieningenrechter als daardoor de uitvoering van het bestreden besluit hoe dan ook onmogelijk wordt doordat de overdrachtstermijn verloopt. De omstandigheid dat in het geval van toewijzing van de voorlopige voorziening de overdrachtstermijn wordt opgeschort en dat de vreemdeling dan langer in onzekerheid verkeert over de mogelijkheid om eventueel alsnog in de nationale asielprocedure te kunnen worden opgenomen, weegt onvoldoende om geheel voorbij te gaan aan het belang van de minister om de vreemdeling te zijner tijd alsnog te kunnen overdragen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker
niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.