ECLI:NL:RBDHA:2025:13685

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.18019
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid identiteit en homoseksuele gerichtheid

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en Senegalese nationaliteit, maar de minister wees deze af wegens ongeloofwaardigheid van zijn identiteit en seksuele gerichtheid.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, die analfabeet is, en dat de minister terecht vond dat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn identiteit en homoseksualiteit. Hoewel eiser enkele tegenwerpingen succesvol weerlegde, zoals de jeugdige onbedachtzaamheid bij kortstondige relaties, blijft het merendeel van de ministeriële twijfels overeind.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet tijdig asiel heeft aangevraagd, zijn verklaringen over vertrekdata wisselend zijn en zijn verhaal over de reactie van zijn familie ongeloofwaardig is. De minister heeft bovendien terecht gewezen op het ontbreken van objectieve documenten en de inconsistenties in het relaas.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Steinebach - de Wit en griffier Bouman op 11 juli 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Vreeken),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eisers identiteit en homoseksuele gerichtheid namelijk niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De minister heeft daarbij voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader en of de minister eisers identiteit en seksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt, kort samengevat, aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is homoseksueel. Nadat zijn broertje hem betrapte met zijn vriend, is hij Senegal ontvlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Homoseksuele gerichtheid en de daarop volgende betrapping.
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig maar eisers identiteit niet. Ook eisers homoseksuele gerichtheid en de daarop volgende betrapping vindt de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk zowel zijn identiteit als homoseksuele gerichtheid niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook heeft eiser niet alsnog zijn identiteit en homoseksuele gerichtheid aannemelijk gemaakt. Eisers verklaringen over zijn identiteit en homoseksuele gerichtheid vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Wat betreft eisers gestelde homoseksuele gerichtheid werpt de minister eiser de volgende punten tegen:
- Eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment waarop hij wist
dat hij alleen gevoelens heeft voor mannen;
  • Het wekt bevreemding dat eiser niet heeft opgezocht hoe het christendom aankijkt tegen homoseksualiteit;
  • Eiser verklaart niet persoonlijk over de momenten waarop eisers vrienden mensen uitscholden voor homoseksueel;
  • Het wekt bevreemding dat eiser jongens meenam naar zijn kamer voor een kortstondige seksuele relatie;
  • Eiser verklaart oppervlakkig en niet persoonlijk over waarom hij de risico’s aanvaardde door de jongens mee te nemen naar zijn kamer;
  • Eiser heeft een oppervlakkige uitleg gegeven over waarom hij stopte met het afspreken met jongens op zijn kamer en waarom hij het vervolgens toch aandurfde om een relatie aan te gaan met [persoon A];
  • Eiser heeft summier en onpersoonlijk verklaard over zijn contacten met de lhbti-gemeenschap in Nederland;
  • Eiser heeft algemeen verklaard over hoe hij in Nederland zou willen leven en geeft niet aan hoe hij in Senegal zou willen leven.
Wat betreft eisers daaropvolgende gestelde problemen, namelijk de betrapping, werpt de minister eiser tegen dat:
  • Eisers seksuele gerichtheid niet geloofwaardig wordt geacht;
  • Eiser wisselend heeft verklaard over het moment van zijn vertrek;
  • Eisers verklaring over het moment van de betrapping niet overeen komt met openbare informatie;
  • Het niet aannemelijk is dat eiser de deur niet op slot heeft gedaan;
  • De reactie van eisers broertje op de betrapping bevreemding wekt.
Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk ingediend en acht de minister eiser in grote lijnen ongeloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens de minister niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Op wat de minister daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover relevant – nader ingegaan.
Verwijzing naar de zienswijze
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in zijn beroepschrift herhaaldelijk naar de zienswijze heeft terugverwezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser met een verwijzing naar de zienswijze of met het enkele betoog dat de minister niet is ingegaan op de zienswijze, de tegenwerpingen van de minister onvoldoende heeft bestreden. Wanneer eiser deze argumenten in beroep herhaalt, moet hij specifiek aangeven waarom de motivering van de minister in het bestreden besluit op die punten onjuist is. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat die motivering onvoldoende of onjuist is. [1] De rechtbank richt zich dus alleen op wat eiser in zijn beroepschrift concreet heeft aangevoerd.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hoewel de minister in het voornemen eisers referentiekader heeft uiteengezet, heeft de minister zijn referentiekader in de besluitvorming op geen enkele wijze toegepast. Ook heeft de minister niet aangegeven waarom van hem, gelet op zijn referentiekader, op verschillende onderwerpen toch gedetailleerdere en persoonlijkere verklaringen verwacht hadden mogen worden.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De minister heeft in het voornemen het referentiekader van eiser uitdrukkelijk uiteengezet. De minister heeft daarin meegenomen dat omdat eiser analfabeet is, van hem niet verwacht mag worden dat hij gedetailleerd kan verklaren over specifieke data maar wel dat hij in grote lijnen de gebeurtenissen naar voren kan brengen, in een tijdslijn kan plaatsen en dat hij kan verklaren over zijn eigen gevoelens en gedachten. Ook heeft de minister vervolgens in de besluitvorming op meerdere punten gemotiveerd aangegeven dat en waarom van eiser, ondanks zijn referentiekader, meer verwacht zou mogen worden. Zo heeft de minister eiser bijvoorbeeld kunnen tegenwerpen dat hij niet eenduidig heeft verklaard over het jaartal van vertrek uit Senegal. Hoewel van eiser niet verwacht mag worden dat hij over specifieke data verklaart, mag de minister wel van eiser verwachten dat hij in grote lijnen consistent over een dergelijke ingrijpende gebeurtenis verklaart. Verder oordeelt de rechtbank dat de minister ook in het gehoor voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Zo zijn vragen meermaals herhaald, op een andere manier gesteld en heeft eiser uitgebreid de mogelijkheid gehad om een nadere toelichting te geven. [2]
Heeft de minister eisers identiteit ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig acht.
Onsamenhangende verklaringen
7.1.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet samenhangend heeft verklaard over zijn identiteit. Hij heeft namelijk toegelicht dat hij in België en Duitsland een andere naam heeft opgegeven dan in Nederland omdat hij zich in België en Duitsland niet veilig voelde. De minister heeft niet gemotiveerd waarom ‘veiligheid’ geen geldige reden kan zijn voor het opgeven van andere identiteitsgegevens. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij eisers nationaliteit wél geloofwaardig acht, terwijl hij daar in Duitsland ook anders over heeft verklaard. Bovendien heeft eiser nooit een identiteitskaart gehad en dus kan hij zijn identiteit niet aantonen met documenten.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onsamenhangend heeft verklaard over zijn identiteit. Eiser heeft in België en Duitsland namelijk een geheel andere naam opgegeven dan in Nederland. Dat eiser zich in Nederland pas veilig genoeg voelde om zijn eigen identiteitsgegevens op te geven, heeft de minister niet ten onrechte niet als een aannemelijke reden aangemerkt, aangezien eiser niet heeft uitgelegd waarom hij zich in Duitsland en België niet veilig voelde.
Voor zover eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn identiteit niet met documenten heeft aangetoond, oordeelt de rechtbank dat dit betoog niet slaagt. De minister heeft op de zitting namelijk toegelicht dat het ontbreken van identiteitsdocumenten eiser niet wordt tegengeworpen. Daarnaast heeft de minister op de zitting voldoende toegelicht waarom hij eisers nationaliteit en herkomst wél geloofwaardig acht, terwijl eiser hier in Duitsland ook anders over heeft verklaard. Eiser spreekt namelijk de taal Wolof, een taal die, aldus de minister, alleen in Senegal wordt gesproken. Dit betoog slaagt dus niet.
Niet zo spoedig mogelijk asiel aangevraagd
7.3.
Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd omdat hij pas in november 2024 asiel heeft aangevraagd, terwijl hij in juni 2023 Nederland is binnengekomen. De antecedentenverklaring waar de minister dit onder andere op baseert, is namelijk niet aan hem toegestuurd en dus heeft eiser deze niet kunnen corrigeren. Op de zitting heeft eiser verder nog betoogt dat de vermelding in het Dublingehoor dat hij in juni 2023 in Nederland is aangekomen niet is gebaseerd op zijn eigen verklaringen. Het is onduidelijk waar dit wel op is gebaseerd.
7.4.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend. Uit de antecedentenverklaring volgt namelijk dat eiser medio juni 2023 in Nederland is aangekomen, terwijl uit eisers dossier volgt dat hij pas op 5 november 2024 asiel heeft aangevraagd. Deze aankomstdatum staat ook vermeld in het Dublingehoor. Hoewel de antecedentenverklaring pas laat aan eiser is toegestuurd en in de gehoren zelf inderdaad geen vragen zijn gesteld over zijn aankomst in Nederland, heeft eiser deze genoemde aankomstdatum niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen, in de zienswijze of in de beroepsgronden. Eiser heeft enkel gesteld dát hij deze niet heeft kunnen corrigeren. Niet valt in te zien waarom eiser pas voor het eerst op de zitting met een corrigerende verklaring, namelijk dat hij Nederland na zijn eerste Dublinprocedure nooit zou hebben verlaten, zou kunnen komen. Dit betoog slaagt dus niet.
In grote lijnen ongeloofwaardig
7.5.
Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte in grote lijnen niet geloofwaardig acht. De minister werpt hem in dit kader namelijk ten onrechte tegen dat hij de asielprocedures in de andere lidstaten niet heeft afgewacht. Er is namelijk geen verband tussen het gestelde verwijt en de gestelde ongeloofwaardige verklaringen in Nederland. Bovendien heeft hij duidelijk aangegeven waarom hij de asielprocedures in de andere lidstaten niet heeft afgewacht.
7.6.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat de minister onder de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, feiten en/of omstandigheden schaart die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken, zijn onder andere het reeds eerder indienen van een asielaanvraag onder een andere naam, het overleggen van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren of het overleggen van reis- of identiteitspapier die niet op de vreemdeling zelf betrekking heeft. Ook als een vreemdeling in het kader van de Dublinprocedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de minister dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
7.7.
De rechtbank kan eiser volgen in zijn standpunt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij in zijn algemeenheid niet als geloofwaardig is aan te merken omdat hij zijn asielprocedure in andere EU-lidstaten niet heeft afgewacht. Uit het hierboven uiteengezette beleid volgt namelijk dat het bij dit criterium ziet op het opzettelijk onjuist verstrekken of achterhouden van (valse) informatie. Het niet afwachten van een asielprocedure, valt daar naar het oordeel van de rechtbank niet onder. De rechtbank heeft echter in overweging 7.2 geoordeeld dat de minister eiser wel heeft mogen tegenwerpen dat hij eerder een asielaanvraag heeft gedaan onder een andere naam. Dit is wel een omstandigheid die de minister heeft kunnen betrekken bij de algemene geloofwaardigheid van eiser. De minister heeft eiser dus in grote lijnen niet geloofwaardig kunnen achten.
Tussenconclusie
7.8.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich gelet op bovenstaande overwegingen niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser stelt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig acht.
Volgorde beoordeling
8.1.
Eiser betoogt allereerst aan dat de minister een onjuiste toetsingsvolgorde hanteert. De minister ziet de geloofwaardigheidstoets namelijk als een minder sterke toetsing dan de toets op grond van originele en objectieve documenten. Het lijkt hierdoor alsof eiser zijn homoseksualiteit primair moet aantonen met objectieve documenten. Dit lijkt ook te volgen uit Werkinstructie 2019/17 [3] (werkinstructie) waarin wordt gesproken van ‘sluitend bewijs’. Ook het standpunt van de minister dat eiser zijn asielmotief ‘niet geheel’ met documenten heeft gestaafd, verraadt dat de minister vindt dat dit eigenlijk wel had moeten gebeuren.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister geen onjuiste toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. De minister heeft in de besluitvorming, overeenkomstig paragraaf C1/4.3 van de Vc 2000, uiteengezet dat allereerst wordt beoordeeld of de door de vreemdeling overgelegde documenten de asielmotieven volledig kunnen onderbouwen. Als een vreemdeling deze documenten niet heeft, dan wordt beslist of de asielmotieven geloofwaardig zijn op grond van de verklaringen van de vreemdeling. [4] Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat de geloofwaardigheidstoets een minder sterke toets is dan de toets op grond van originele en objectieve documenten. Anders dan eiser betoogt, is aan eiser dus niet de eis gesteld dat hij zijn asielmotieven geheel met documenten moet onderbouwen. In de werkinstructie staat bovendien expliciet dat bij de beoordeling van de vraag of iemands seksuele gerichtheid geloofwaardig is rekening wordt gehouden met het feit dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. Dit argument slaagt dus niet.
Christendom en homoseksualiteit
8.3.
Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat het bevreemdend is dat hij niet heeft opgezocht hoe zijn geloof, het christendom, aankijkt tegen homoseksualiteit. Eiser koppelt zijn persoonlijke geloof namelijk niet aan de opvatting van de kerk. Er zijn massa’s christenen die aan hun geloof niet meer inhoud geven dan een bezoek aan een kerk en het volgen van rituelen, zonder dat zij daarbij de Bijbel te lezen of zich met de geloofsleer bezig houden. Bovendien is niet duidelijk waartoe deze ‘eis’ volgens de minister moet leiden.
8.4.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat het bevreemdend is dat eiser nooit heeft onderzocht of weet hoe zijn eigen geloof, het christendom, aankijkt tegen homoseksualiteit. Eiser heeft namelijk wel verklaard dat de islam homoseksualiteit niet accepteert. [5] De minister heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eiser, juist omdat hij weet dat homoseksualiteit vanuit een ander geloof en dus ook vanuit bijna de hele samenleving in Senegal niet wordt geaccepteerd, niet weet hoe het door hem beleden geloof, het christendom, tegen homoseksualiteit aankijkt. Bovendien heeft de minister eiser in dit kader kunnen tegenwerpen dat hij al jaren in Europa verblijft, waar de sociale en religieuze context anders is. Hoewel eiser aangeeft dat hij zijn persoonlijk geloof niet gekoppeld ziet aan de opvattingen van de kerk, blijft het feit dat eiser zich nog steeds als christen beschouwt. De minister stelt zich volgens de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat dit impliceert dat eiser op zijn minst zou moeten weten of enige interesse zou moeten hebben over hoe het christendom omgaat met de relatie tussen seksualiteit en religie. Dit argument slaagt dus niet.
Voorgaande relaties
8.5.
Eiser betoogt verder dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij het risico nam om kortstondige seksuele relaties aan te gaan met jongens, terwijl hij op dat moment al wist dat homoseksualiteit in Senegal niet geaccepteerd werd en deze momenten bovendien bij zijn ouders thuis plaatsvonden in de kamer die eiser ook met zijn broertje deelde. Eiser was namelijk nog jong toen hij deze kortstondige seksuele momenten aanging en juist vanwege zijn jonge leeftijd was sprake van enige onbedachtzaamheid. Bovendien vonden deze seksuele momenten in het geheim plaats en waren het slechts ‘momenten’ en geen relaties.
8.6.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser ten onrechte tegenwerpt dat het bevreemdend is dat eiser jongens meenam naar zijn kamer voor een kortstondig seksuele relaties. Eiser heeft namelijk verklaard dat vanwege zijn jonge leeftijd sprake was van enige onbedachtzaamheid. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee een plausibele uitleg heeft gegeven waarom hij, ondanks dat hij zich bewust was van de risico’s, toch door besloot te gaan met deze relaties. De minister is hier onvoldoende op ingegaan door enkel te overwegen dat jeugdige onbedachtzaamheid een onvoldoende verklaring is. Dit argument slaagt.
Discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst
8.7.
Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet duidelijk heeft verklaard over hoe hij in Senegal zou willen leven als de situatie in Senegal zou veranderen. Dit is namelijk een hypothetische en evidente vraag. Eiser wil vanzelfsprekend zijn seksuele gerichtheid zonder restricties uiten, net zoals iedere hetero-man dat doet.
8.8.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser niet ten onrechte tegenwerpt dat hij niet duidelijk heeft verklaard over hoe hij zijn toekomst als homoseksuele man ziet. De minister werpt eiser hier niet alleen tegen dat eiser, na herhaaldelijke vragen in het gehoor, niet duidelijk heeft gemaakt hoe zijn leven in Senegal eruit zou zien als de situatie voor homoseksuelen daar zou veranderen, maar ook dat eiser slechts in zijn algemeenheid heeft verklaard over hoe eiser in Nederland zou willen leven. Eiser heeft namelijk enkel verklaard dat hij in Nederland in veiligheid wil leven, dat hij hier zonder risico zou leven, werk zou gaan zoeken, een serieuze relatie zou willen en dat hij zou willen trouwen om een mooie toekomst te hebben. [6] De minister stelt niet ten onrechte dat eiser daarbij onvoldoende heeft laten zien wat eisers persoonlijke wensen, gedachten en gevoelens zijn over zijn toekomst als homoseksuele man.
Tussenconclusie
8.9.
Hoewel de rechtbank, zoals overwogen onder 8.6, het met eiser eens is dat de minister hem onvoldoende gemotiveerd tegenwerpt dat het bevreemdend is dat eiser kortstondige seksuele relaties aanging met jongens, maakt dit niet dat de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft op de zitting namelijk toegelicht dat dit slechts één van de vele tegenwerpingen is die maken dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Deze overige tegenwerpingen heeft de minister, zoals hiervoor al is geoordeeld, niet ten onrechte als opmerkelijk of tegenstrijdig aangemerkt. Bovendien heeft eiser ook enkele van deze tegenwerpingen in het bestreden besluit niet gemotiveerd bestreden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Heeft de minister eisers problemen naar aanleiding van zijn seksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn problemen naar aanleiding van zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig acht. Zo heeft de minister hem ten onrechte tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over het moment van zijn vertrek. Dat hij in zijn Dublingehoor heeft verklaard in 2018 Senegal te hebben verlaten, terwijl hij in deze procedure heeft verklaard in 2016 Senegal te hebben verlaten, kan hem niet worden tegengeworpen. Uit de Eurodac-gegevens blijkt bovendien dat hij in 2017 een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Eisers eerste verklaring dat hij Senegal in 2016 heeft verlaten, moet dan ook als juist worden beschouwd. Ook werpt de minister hem ten onrechte tegen dat het niet aannemelijk is dat hij op de dag van de betrapping zijn deur niet op slot heeft gedaan. Hiermee miskent de minister dat iemand die altijd voorzichtig is, nooit eens onvoorzichtig kan zijn. Tot slot betoogt eiser dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat de reactie van zijn broertje bevreemding wekt. De minister heeft hierbij kennelijk een persoonlijke opvatting gegeven die niet noodzakelijkerwijs algemeen geldend behoeft te zijn. Bovendien kunnen deze al dan niet impliciete aannames niet worden gedaan, zonder dat eiser hierop nader is bevraagd.
9.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. Hoewel de rechtbank eiser volgt dat ook iemand die altijd voorzichtig is wel eens kan vergeten een deur op slot te doen, heeft de minister in dit kader niet ten onrechte als uitgangspunt genomen dat eisers verklaringen over zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn geacht. Gelet op dat wat de rechtbank in overweging 8.9 heeft geoordeeld, is de minister namelijk niet ten onrechte tot deze conclusie gekomen. Die omstandigheid doet in belangrijke mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen naar aanleiding van eisers homoseksualiteit. De minister heeft eiser daarnaast terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment van zijn vertrek uit Senegal. Eiser heeft namelijk in zijn eerdere Dublinprocedure verklaard dat hij in oktober 2018 Senegal heeft verlaten, terwijl hij in deze procedure heeft verklaard dat hij Senegal in januari 2016 heeft verlaten. Van eiser mag worden verwacht dat hij hetzelfde jaartal van vertrek opgeeft, gelet op het feit dat het hier gaat om een ingrijpende gebeurtenis. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij een maand na de betrapping Senegal in januari 2016 heeft verlaten en dat het toen regenseizoen was. [7] Dit komt echter niet overeen met openbare informatie waaruit blijkt dat het regenseizoen in Senegal ergens tussen mei en oktober plaatsvindt. Daarnaast heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat het opvallend is dat het broertje van eiser direct na de betrapping geen actie zou hebben ondernomen. Eiser heeft immers verklaard dat zijn eigen familie zijn homoseksualiteit niet zou accepteren. [8] Bovendien heeft eiser verklaard dat zijn broertje ging gillen toen hij eiser en zijn vriend betrapte en dat zijn ouders op dat moment thuis waren. [9] De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat niet valt in te zien dat eisers ouders dit niet zouden hebben gehoord. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de kennelijk ongegrondverklaring van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie ter vergelijking bv. ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.
2.Verslag gehoor veilig land van herkomst, p. 8, 9, 15 en 19.
3.Werkinstructie 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd
4.Artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Verslag veilig land van herkomst, p. 12-13.
6.Verslag gehoor veilig land van herkomst, p. 24.
7.Verslag gehoor veilig land van herkomst, p. 20.
8.Verslag gehoor veilig land van herkomst, p. 15.
9.Verslag gehoor veilig land van herkomst, p. 26.