ECLI:NL:RBDHA:2025:13687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.3849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oordeel over terugkeerbesluit en inreisverbod voor Britse vreemdeling na aanhouding met drugs

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 14 juli 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd aan een Britse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 25 januari 2025 aan de eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, omdat hij niet langer rechtmatig verblijf had in Nederland. Eiser, die in januari 2025 naar Nederland was gereisd voor familiebezoek, werd op 22 januari 2025 aangehouden met een aanzienlijke hoeveelheid hennep. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de minister terecht het terugkeerbesluit had opgelegd, aangezien eiser een gevaar voor de openbare orde vormde door zijn aanhouding met drugs. De rechtbank benadrukte dat een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk is voor het opleggen van een terugkeerbesluit en dat de aanhouding op zich al voldoende was om aan te nemen dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het inreisverbod ook terecht was opgelegd. Eiser had aangevoerd dat het inreisverbod onevenredig zwaar was voor zijn gezinsleven, maar de rechtbank oordeelde dat de gevolgen voor zijn gezinsleven niet zodanig waren dat het inreisverbod als onevenredig kon worden beschouwd. De rechtbank concludeerde dat de minister op basis van de feiten en omstandigheden van de zaak de juiste beslissing had genomen en dat er geen reden was om het besluit te herzien. De uitspraak werd gedaan door mr. G.A. van der Straaten, in aanwezigheid van griffier mr. C.G.H. van der Holst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3849

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Procesverloop

1. Bij besluit van 25 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het beroep van eiser is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft de Britse nationaliteit. Naar eigen zeggen is hij medio januari 2025 naar Nederland gereisd voor familiebezoek. Op 22 januari 2025 is hij in [plaats] aangehouden met een hoeveelheid van ruim 110 kilo hennep en is hij in hechtenis genomen. Op 25 januari 2025 heeft hij een dagvaarding ontvangen wegens overtreding van de Opiumwet en is hij overgedragen aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Op diezelfde dag heeft de minister eiser op grond van artikel 62a Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de verplichting opgelegd terug te keren naar Groot-Brittannië, omdat gebleken is dat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Daarbij heeft de minister bepaald dat aan eiser geen termijn om te vertrekken wordt gegund. De minister heeft hem ook een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Had de minister moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit?
4. Eiser voert aan dat aan hem geen terugkeerbesluit opgelegd mocht worden nu hij voornemens was – en dit ook te kennen heeft gegeven tijdens het gehoor – Nederland te verlaten. Ook voert eiser aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit oplegt met de onderbouwing dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde omdat hij verdacht wordt van een strafbaar feit. Volgens eiser is hij namelijk nog niet onherroepelijk veroordeeld door een rechter.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de vraag of een terugkeerbesluit an sich opgelegd kon worden en de vraag of een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn kon worden opgelegd.
4.2.
In artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer een vreemdeling – die geen gemeenschapsonderdaan is – niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland, een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Eiser was als Brits onderdaan gerechtigd om gedurende de zogenaamde vrije termijn van 90 dagen, in Nederland te verblijven. Eerst is dus van belang of dat rechtmatige verblijf is beëindigd. Op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 bestaat dit verblijfsrecht in de vrije termijn zolang de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Het verblijfsrecht eindigt van rechtswege als niet langer aan die voorwaarde wordt voldaan. Verder volgt uit de artikelen 3.2 en 2.9 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) dat de ‘concrete aanwijzing’ dat een vreemdeling een inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid heeft gepleegd of zal plegen voldoende is om aan te nemen dat hij niet voldoet aan de verplichting uit artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Een onherroepelijke veroordeling is hiervoor niet nodig. De aanhouding van eiser met een grote hoeveelheid drugs is voldoende aanwijzing om aan te nemen dat hij een gevaar is voor de openbare orde, zodat met die aanhouding zijn vrije termijn van rechtswege is geëindigd en hij geen rechtmatig verblijf in Nederland meer had. Daarom bestond er voor de minister geen ruimte om af te wijken van de uit de wet voortvloeiende verplichting om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. De verklaring van eiser dat hij voornemens was om Nederland vrijwillig te verlaten, vormt geen grond om van die verplichting af te zien. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
4.3.
Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan bij het opleggen van een terugkeerbesluit een vertrektermijn worden onthouden, onder meer als een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Dit is de enige grond uit artikel 62 van de Vw 2000 die minister heeft tegengeworpen. Hij onderbouwt het onttrekkingsrisico op twee gronden, namelijk de lichte gronden dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft (4c) en hij verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld (4e). De lichte grond dat eiser zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden (4a) heeft de minister op zitting ingetrokken. Volgens de minister is dat voldoende om onttrekkingsrisico aan te nemen.
4.4.
De rechtbank stelt vast eiser de toepasselijkheid van grond 4c niet betwist. Ten aanzien van de lichte grond 4e herhaalt hij slechts dat hij nog niet veroordeeld is. Een veroordeling is ook voor de toepassing van de deze grond echter niet noodzakelijk zodat deze beroepsgrond faalt. Voor het overige heeft eiser geen gronden gericht tegen het onthouden van een vertrektermijn. Dit betekent dat zijn beroep ook in zoverre niet kan slagen.
Had de minister moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod?
5. Eiser voert verder aan dat hem ook geen inreisverbod opgelegd mocht worden nu hij voornemens was Nederland te verlaten, en dit ook te kennen heeft gegeven tijdens het gehoor. Verder voert eiser aan dat het door de minister opgelegde inreisverbod onevenredig zwaar is voor de uitoefening van het gezinsleven door eiser. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat hij verschillende familieleden heeft wonen in Nederland en Europa. Het opleggen van een inreisverbod heeft grote gevolgen voor het gezinsleven van eiser.
5.1.
De minister heeft het inreisverbod gebaseerd op het eerste lid, aanhef en onder a van artikel 66a van de Vw 2000. Op grond van dit artikel kan een inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten. Zoals hiervoor overwogen is daarvan sprake. Dat eiser voornemens zou zijn Nederland te verlaten, is geen reden om geen inreisverbod op te leggen. Het inreisverbod is een maatregel die als doel heeft om vreemdelingen die zich niet houden aan de geldende migratieregels, voor een bepaalde periode uit Nederland, de EU, de EER en Zwitserland te weren. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat met de aanhouding en dagvaarding aannemelijk is dat eiser zijn vrije termijn heeft gebruikt voor de handel in drugs, zodat hij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden voor zijn verblijf. Dat hij na zijn arrestatie bereid zou zijn het land te verlaten is geen reden om hem niet voor een periode van twee jaar te weren.
5.2.
De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers beroepsgrond over zijn gezinsleven als volgt. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van een inreisverbod blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij twee dochters heeft bij twee verschillende vrouwen. Dochter 1 woont met haar moeder in Spanje en dochter 2 woont in het Verenigd Koninkrijk. Met dochter 1 heeft eiser geen omgangsregeling en ziet hij alleen als zij naar Engeland komt of zij beiden in Marokko zijn. [1] In zoverre is geen sprake van een beperking als hij de EU niet in mag reizen. Verder wonen de zussen van eisers moeder in Nederland en woont zijn moeder – met wie hij al vijftien jaar geen contact meer heeft – in België. [2] Uit de verklaringen van eiser volgt niet dat hij te zeer beperkt zal worden in zijn gezins- of familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als hij hen niet langer in Nederland of België kan bezoeken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is dan ook onvoldoende om het inreisverbod als onevenredig zwaar te beschouwen. De beroepsgrond slaagt niet.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van gehoor, p. 2.
2.Proces-verbaal van gehoor, p. 3.