Eiser, met de Centraal-Afrikaanse nationaliteit, diende in oktober 2024 een asielaanvraag in die werd afgewezen omdat hij in Nigeria als vluchteling was erkend en bescherming kon genieten. Na detentie en een mislukte uitzettingspoging naar Nigeria, diende eiser in maart 2025 een nieuwe asielaanvraag in. Hij stelde dat hij geen daadwerkelijke toegang tot Nigeria had, onderbouwd met vertrekverslagen, e-mails en een M113-formulier.
De minister wees de aanvraag opnieuw af als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingewet 2000, omdat er volgens hem geen nieuw relevant element was en eiser onvoldoende meewerkte aan terugkeer. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken voldoende aanwijzingen bevatten dat toelating tot Nigeria niet vanzelfsprekend is, waardoor sprake is van een nieuw en relevant element.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de minister ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan de hoorplicht, omdat de nieuwe informatie tot een ander oordeel kan leiden. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het terugkeerbesluit opnieuw moet worden beoordeeld. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.