ECLI:NL:RBDHA:2025:13792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.15857
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel ‘familie en gezin’, gebaseerd op artikel 8 van Pro het EVRM.

De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn van 90 dagen, vermeerderd met een verlenging van drie maanden, heeft overschreden. Eiser heeft de minister op 21 februari 2025 in gebreke gesteld en vervolgens tijdig beroep ingesteld, waardoor het beroep gegrond is.

De minister voerde het fifo-beleid aan en verzocht om aanhouding van de behandeling tot september 2026 of om een nadere beslistermijn van twintig weken. De rechtbank wijst dit af omdat het fifo-beleid niet op deze aanvraag van toepassing is en geen omstandigheden zijn gebleken die een langere termijn rechtvaardigen.

De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op, ingaande na verzending van de uitspraak, en verbindt daaraan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nadere beslistermijn van twee weken op met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15857
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Oukil), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel “familie en gezin” in het kader van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: de aanvraag).

Overwegingen

2. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser gegrond?
4. De minister heeft de aanvraag op 17 juli 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 De minister heeft de beslistermijn verlengd met drie maanden. Eiser heeft de minister op 21 februari 2025 in gebreke gesteld. Dit is na het verstrijken van de beslistermijn. Ook heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep in gesteld. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is kennelijk gegrond.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 .
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4
6. De minister heeft op 23 april 2025 een verweerschrift ingediend. Daarin beroept de minister zich op het zogenoemde fifo-beleid. Naar verwachting neemt de minister de aanvraag in september 2026 in behandeling. Primair verzoekt de minister aan de rechtbank om de behandeling van het beroep aan te houden tot dat moment. Subsidiair verzoekt de minister om een nadere beslistermijn van twintig weken.
7. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Het fifo-beleid is immers van toepassing op nareisaanvragen. Van een dergelijke aanvraag is hier geen sprake. De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden die een langere nadere beslistermijn dan twee weken rechtvaardigen. De rechtbank legt de minister dus een nadere beslistermijn op van twee weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.6
4 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie
https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra- dwangsom.aspx.
6 Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.