ECLI:NL:RBDHA:2025:13813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning na intrekking verzoek Nederlanderschap
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, gericht op het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De minister wees deze aanvraag af, en ook het bezwaar werd ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing.
Tijdens de procedure trok eiser het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap in. De rechtbank oordeelt dat hierdoor het doel van de aanvraag is komen te vervallen, omdat er geen situatie meer is waarin op de uitkomst van het verzoek wordt gewacht. De stelling van eiser dat de aanvraag breder moet worden opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder het verblijfsdoel 'humanitair tijdelijk' wordt verworpen, omdat dit niet blijkt uit het aanvraagformulier en de toelichting.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar acht deze niet van toepassing op de onderhavige zaak. Ook het verzoek om vergoeding van proceskosten levert geen zelfstandig procesbelang op. Gelet op het ontbreken van procesbelang verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek tot terugbetaling van griffierecht en vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na intrekking van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap.