De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd ingesteld vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.
Eiser voerde aan dat onvoldoende gronden aanwezig waren voor de bewaring, met name omdat hij Nederland binnenkwam na een Dublinoverdracht en een door Nederland verstrekt laissez passer had. Ook werd betwist dat het verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen relevant was voor het risico op onttrekking. De minister trok de grond met betrekking tot arbeid tijdens de zitting in.
De rechtbank oordeelde dat de overige, niet bestreden gronden voldoende waren om de maatregel te dragen en dat de bewaring niet onrechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier P. Bruins op 17 juli 2025. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.