ECLI:NL:RBDHA:2025:1382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
4 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4077
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland op grond van Dublin-verordening

Verzoeker heeft meerdere keren een voorlopige voorziening gevraagd tegen zijn overdracht aan Duitsland op grond van de Dublin-verordening. De minister van Asiel en Migratie heeft besloten dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker en wil hem overdragen. Eerdere verzoeken tot voorlopige voorziening op 20 en 24 januari 2025 zijn afgewezen.

Verzoeker heeft geen nieuwe of wezenlijk andere gronden aangevoerd in het derde verzoek. De voorzieningenrechter heeft daarom besloten het verzoek af te wijzen. De overdracht stond gepland voor 30 januari 2025, waarop de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak deed wegens onverwijlde spoed.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter G.W.B. Heijmans.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4077

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de minister van Asiel en Migratie

Inleiding

1. Bij besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft op 17 december 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 16 januari 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen vanwege het voornemen om eiser op 20 januari 2025 over te dragen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij uitspraak van 20 januari 2025 (zaaknummer: NL25.2187) afgewezen.
1.2.
De overdracht aan Duitsland op 20 januari 2025 heeft geen doorgang gevonden. De minister heeft verzoeker vervolgens te kennen gegeven voornemens te zijn hem op 27 januari 2025 over te dragen aan Duitsland. Op 23 januari 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij uitspraak van 24 januari 2025 (zaaknummer: NL25.3385) afgewezen.
1.3.
De overdracht aan Duitsland op 27 januari 2025 heeft ook geen doorgang gevonden. De minister heeft verzoeker vervolgens te kennen gegeven voornemens te zijn hem op 30 januari 2025 over te dragen aan Duitsland. Op 28 januari 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 29 januari 2025 het onderzoek gesloten
.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de overdracht op 30 januari 2025 zal plaatsvinden.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit het derde verzoek om een voorlopige voorziening is dat verzoeker heeft ingediend tegen zijn overdracht naar Duitsland. Zoals benoemd onder 1.2 en 1.3 zijn de eerdere verzoeken afgewezen bij uitspraken van 20 januari 2025 (zaaknummer: NL25.2187) en 24 januari 2025 (zaaknummer: NL25.3385). Verzoeker heeft in deze procedure geen nieuwe of wezenlijk andere gronden aangevoerd. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om anders te beslissen dan in de voorgaande procedures is gedaan.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.