ECLI:NL:RBDHA:2025:13820
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste
Eiser diende op 23 maart 2024 een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De minister wees deze aanvragen in september 2024 af wegens het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste, omdat eiser niet alle vereiste examenonderdelen had afgerond. Na bezwaar werd de verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid verlengd, maar de afwijzing van de EU-verblijfsvergunning en verblijfsvergunning regulier bleef gehandhaafd.
Eiser voerde aan dat hij voldeed aan het inburgeringsvereiste met een A2-diploma en dat het stellen van aanvullende eisen in strijd was met het EU-recht en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat eiser het examenonderdeel 'Kennis van de Nederlandse Maatschappij' (KNM) nog moest afleggen en dat het inburgeringsvereiste niet in strijd is met de EU-langdurig ingezetenenrichtlijn. De rechtbank verwees naar jurisprudentie die het belang van integratie en taalvaardigheid benadrukt.
Verder stelde de rechtbank vast dat de minister terecht afzag van een hoorzitting omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene blijft in stand.