ECLI:NL:RBDHA:2025:13826

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.11320
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen inreisverbod wegens te late indiening beroepsgronden

Eiser heeft tegen een besluit van de minister om een inreisverbod van twee jaar op te leggen beroep ingesteld. Hoewel het beroep tijdig werd ingediend, werden de gronden van beroep pas na de gestelde herstelverzuimtermijn ingediend.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van eiser de gronden van beroep te laat heeft ingediend en dat de te late indiening niet verschoonbaar is. Telefonisch contact vanuit de rechtbank diende slechts ter verificatie en bood geen nieuwe herstelverzuimtermijn.

De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en dat geen inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden plaatsvindt. Tevens is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op niet-ontvankelijkheid rechtvaardigen, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar.

De uitspraak is gedaan door rechter O. El Kadi en griffier C.G.H. van der Holst. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld. De gemachtigde heeft echter buiten de geboden herstelverzuimtermijn de gronden van beroep ingediend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De te late indiening van de gronden van beroep is niet verschoonbaar. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft bij besluit van 4 maart 2025 een inreisverbod aan eiser opgelegd.
2.1.
De gemachtigde heeft daartegen op 10 maart 2025 beroep, op nader aan te voeren gronden, ingesteld. Op 11 april 2025 heeft de gemachtigde inhoudelijke gronden ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Een beroep wordt alleen inhoudelijk behandeld als de gronden van beroep tijdig kenbaar zijn gemaakt.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. Zoals reeds onder 2.1. is weergegeven heeft gemachtigde op 10 maart 2025, op nader aan te voeren gronden, beroep ingesteld. De rechtbank heeft de gemachtigde bij bericht van 11 maart 2025 verzocht om het verzuim, gelegen in het ontbreken van de gronden van beroep, uiterlijk op 8 april 2025 te herstellen. De gemachtigde heeft buiten de geboden termijn, op 11 april 2025, de gronden van beroep ingediend. Op 14 april 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde schriftelijk verzocht om, binnen twee weken na de datum van verzending van dit bericht, schriftelijk te laten weten waarom hij de beroepsgronden na afloop van de gestelde termijn heeft ingediend.
6. De gemachtigde heeft op 25 april 2025 aangevoerd hij geen e-mail heeft ontvangen, waaruit blijkt dat er een herstelverzuimtermijn is geboden voor het indienen van de beroepsgronden. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat hij op 11 april 2025 is gebeld door de rechtbank en dat alsnog om de gronden is verzocht. Daarmee is volgens hem een nieuwe (mondelinge) herstelverzuimtermijn gegeven, gelet waarop de gronden tijdig zijn ingediend. Eiser mag er volgens de gemachtigde, gezien het telefonische verzoek van de rechtbank, op vertrouwen dat de gronden inhoudelijk bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. Gezien het vorengaande meent eiser dat zijn beroep ontvankelijk is.
Verschoonbare termijnoverschrijding?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De gronden van beroep zijn buiten de geboden herstelverzuimtermijn ingediend. De algemene praktijk is dat de rechtbank van elke wijziging in het digitale procesdossier een notificatie per e-mailbericht zendt aan de partij die een e-mailadres heeft vermeld in Mijn Rechtspraak. Uit het procesdossier blijkt dat vanuit de griffie van de rechtbank op 11 maart 2025 om 11.50 uur een notificatie aan de gemachtigde is gestuurd van het bericht waarbij aan eiser een termijn wordt gesteld voor het kenbaar maken van de beroepsgronden. Het betoog van de gemachtigde dat de rechtbank hem telefonisch op 11 april 2025 een nieuwe herstelverzuimtermijn heeft geboden en dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep om die reden achterwege moet blijven, volgt de rechtbank niet. Het is bij deze zittingsplaats in vreemdelingenzaken gebruikelijk dat, in het geval binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroepsgronden zijn ontvangen, vanuit de griffie telefonisch contact wordt opgenomen met gemachtigden om te vragen of het klopt dat de gronden nog niet zijn ingediend en, zo ja, wat de reden daarvan is. Het doel van het telefonisch contact is enkel het verkrijgen van deze informatie en geenszins het bieden van een nieuwe herstelverzuimtermijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in dit geval niet van uit te gaan. Uit de notitie van de griffie over het telefonisch contact blijkt ook niet dat aan gemachtigde een nieuwe herstelverzuimtermijn is geboden. In dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.
Dient van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep te worden afgezien?
8. Het uitgangspunt is dat het vorenstaande leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De rechtbank moet echter wel beoordelen of niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege de nationale procedureregels voor eiser onmiskenbaar zou leiden tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Dat volgt uit het arrest Bahaddar. [1] Dat is het geval als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in genoemd arrest. De rechtbank is niet gebleken van dergelijke omstandigheden.
9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiser wordt daarom niet toegekomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.EHRM 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.