ECLI:NL:RBDHA:2025:13980
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen verlening kapvergunning esdoorn in Den Haag
Eiser maakte bezwaar tegen de kapvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende voor het kappen van een esdoorn op de erfgrens tussen twee percelen. De vergunninghouder ervaart overlast door vallende takken, belemmering van bouwplannen en hinder door schaduw en vruchten. Het college handhaafde het besluit na bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de Wabo en de Algemene plaatselijke verordening (APV) van Den Haag. De aanvraag viel onder het overgangsrecht van de Omgevingswet, waardoor de Wabo van toepassing bleef. Het college had een belangenafweging gemaakt waarbij het advies van een groenbeheerder een belangrijke rol speelde. Dit advies concludeerde dat de boom geen bijzondere natuur- of milieuwaarden had en dat de kapvergunning kon worden verleend.
Eiser voerde aan dat de boom een belangrijke ecologische en klimaatfunctie vervult en dat onvoldoende naar alternatieven was gekeken. De rechtbank vond echter dat het college voldoende had onderbouwd dat de overlast niet door snoeien kon worden weggenomen en dat het belang van de vergunninghouder zwaarder woog dan het behoud van de boom. Ook het betoog over een onzorgvuldige hoorzitting werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de kapvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning is ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.