ECLI:NL:RBDHA:2025:13987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
NL24.24426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor Syrische eiseres met dwarslaesie

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een Syrische eiseres en de minister van Asiel en Migratie. De eiseres, die een dwarslaesie heeft en continu zorg nodig heeft, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar broer in Nederland te kunnen wonen. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, met het argument dat er geen sprake zou zijn van een beschermenswaardig gezinsleven tussen de eiseres en haar broer, omdat zij niet zou hebben aangetoond dat er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De rechtbank heeft de afwijzing van de minister echter vernietigd, omdat zij van oordeel is dat de beoordeling van de minister niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zoals geformuleerd in het arrest Martinez Alvarado. De rechtbank concludeert dat de eiseres, gezien haar fysieke beperking en de noodzaak van continue zorg, wel degelijk recht heeft op een beschermenswaardig gezinsleven. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar broer te kunnen wonen in Nederland. Zij heeft een dwarslaesie en heeft daarom continu zorg nodig van haar naaste familieleden, die vrijwel allemaal uit Syrië zijn gevlucht en in Nederland zijn komen wonen.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder vindt dat er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiseres en haar broer. Eiseres en haar broer hebben volgens verweerder namelijk niet aangetoond dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank volgt verweerder niet. Verweerder heeft zijn besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerders beoordeling is namelijk niet in overeenstemming met de uitgangspunten van het EHRM. [1]
1.2.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 14 september 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf bij familie-of gezinslid’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigde en haar broer [referent] (referent). Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is de zus van referent en is geboren op [datum] 1996. Referent en eiseres hebben beiden de Syrische nationaliteit. Referent is uit Syrië gevlucht en heeft in Nederland op 16 juni 2021 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Referent heeft verzocht om overkomst van zijn zus.
Eiseres is in Syrië. Zij heeft een dwarslaesie als gevolg van een auto-ongeluk als kind. Sindsdien is zij verlamd en zit zij in een rolstoel. Haar ouders zorgden aanvankelijk voor haar. Toen haar ouders door ouderdom niet meer voor eiseres konden zorgen, hebben haar broers en hun echtgenoten en haar zussen de verzorging op zich genomen. Eiseres heeft continu zorg nodig. Referent is op 7 juli 2021 benoemd tot wettelijk voogd van eiseres.
De afgelopen jaren zijn de broers en zussen van eiseres weggegaan uit Syrië. Drie broers wonen in Nederland en één broer en één zus wonen in Libanon. Telkens als een familielid wegging uit Syrië, nam een ander familielid de verzorging van eiseres over. Momenteel woont nog één zus van eiseres in Syrië. Zij is volgens eiseres de enige die nog voor haar kan zorgen. Deze zus zal binnenkort echter ook naar Nederland reizen, omdat er voor haar een mvv is aangevraagd door haar echtgenoot, die al rechtmatig in Nederland verblijft. Als deze zus uit Syrië vertrekt, is er niemand meer om voor eiseres te zorgen. Daarom heeft referent voor eiseres een mvv aangevraagd, zodat referent en zijn echtgenote en de andere in Nederland verblijvende familieleden in Nederland voor eiseres kunnen zorgen.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen eiseres en referent niet is gebleken van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. [2]
Beschermenswaardig gezinsleven
4. Er is volgens verweerder geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is dat eiseres in praktische zin van referent afhankelijk is. Referent heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt wat voor zorg eiseres in Nederland nodig heeft. Daarbij is referent niet de enige die voor eiseres heeft gezorgd; ook de andere broers en zussen hebben voor eiseres gezorgd. Bovendien is volgens verweerder niet voldoende onderbouwd dat niet iemand anders in Syrië voor eiseres zou kunnen zorgen. Hoewel referent een voogdijverklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de wettelijk voogd is van eiseres, is dit volgens verweerder enkel een praktische regeling. Verder is volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat eiseres door referent financieel wordt ondersteund, vanwege een gebrek aan objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de emotionele band tussen referent en eiseres de gebruikelijke band tussen een broer en een zus overstijgt.
4.1. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de jurisprudentie van het EHRM onjuist heeft toegepast en daarbij heeft zij onder andere verwezen naar het arrest Martinez Alvarado van EHRM. [3]
4.2.
Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige broers en zussen voor het aannemen van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake dient te zijn bijkomende elementen van afhankelijkheid (“additional elements of depency”). [4] Als er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van een beschemenswaardig gezinsleven en ook geen sprake is van beschermenswaardig privéleven, dan hoeft er geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan per definitie geen sprake kan zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM.
4.3.
Het recente arrest Martinez Alvarado gaat over een volwassen man uit Peru die door zijn beperkingen volledig afhankelijk is van de zorg van anderen en altijd door naaste familieleden is verzorgd; eerst door zijn ouders en na hun dood door zijn zussen. Er is nog een broer in Peru, maar deze is voor die continue zorg niet beschikbaar.
Het EHRM heeft in dit arrest, over de uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of in zo’n geval sprake is bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en zijn verzorgende familieleden, het volgende overwogen:
“As regards the question of the existence or non-existence of “family life”, the Court has held that this is essentially a question of fact depending upon the existence of close personal ties. The notion of “family” in Article 8 may also encompass de facto “family ties” […].
It follows from the Court’s case-law that the question whether “additional elements of dependency” exist is to be decided on a case-by-case basis. The finding of the existence of “family life” based on “additional elements of dependency other than normal, emotional ties” will often be the result of a combination of elements. [...]
In cases where adults had a physical or mental disability or illness of sufficient seriousness and were in need of constant care and support from other family members, the Court has accepted such dependency (see, for instance, Emonet and Others, cited above, §37, in which an adult child became paraplegic after a serious illness; Bierski v. Poland, no. , §47, 20 October 2022, in which an adult child suffered from Down syndrome and was fully incapacitated; Belli and Arquier-Martinez v. Switzerland, no. 65550/13, §65, 11 December 2018, in which an adult child had been deaf since birth, had difficulty speaking her mother tongue and had no capacity of discernment on account of a severe disability which had required comprehensive therapeutic provision throughout her life; and I.M. v. Switzerland, no. 23887/16, §30-31, 9 April 2019, in which an elderly father was completely dependent on his sons because he suffered from serious depression and autism). […]
Depending on the circumstances of the case, the Court has found that financial support could be provided from a distance. […] However, in I.M. v. Switzerland, in which case it had already been established that the applicant was dependent on his adult sons in his daily life for health reasons, the Court held that the fact that family members could contribute financially to him upon his removal, did not call into question the existence of a relationship of dependency between him and his sons.It thus follows from the Court’s case-law that the assessment of whether additional elements of dependency, other than normal emotional ties, have been shown to exist, requires an individualised review of the relationship at issue, and other relevant circumstances of the case”. [5]
Het EHRM past deze uitgangspunten toe en neemt beschermenswaardig familieleven tussen Martinez Alvarado en zijn zussen aan. Het EHRM benadrukt dat hij door zijn handicap continue zorg nodig heeft en daarvoor na de dood van zijn ouders afhankelijk is van zijn zussen. Het EHRM vereist niet dat hij daarvoor exclusief van hen afhankelijk moet zijn. Verder weegt het EHRM mee dat de enige in Peru achtergebleven broer die continue zorg niet kan geven en dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat er in Peru voorzieningen zijn die een zodanige zorg kunnen bieden.
4.4.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerders beoordeling niet in overeenstemming is met de hiervoor weergegeven door het EHRM geformuleerde uitgangspunten. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen vergelijkbare mentale beperking heeft als aan de orde in het arrest Martinez Alvarado. Uit de genoemde overwegingen van het arrest Martinez Alvarado en uit het arrest Kumari blijkt immers dat bijkomende elementen van afhankelijkheid niet alleen bij een geestelijke, maar ook bij een fysieke beperking aangenomen kunnen worden. Het moet dan gaan om een zodanig sterke fysieke beperking, dat iemand continu zorg nodig heeft en dat die zorg door naaste familieleden moet worden verleend. Een dwarslaesie wordt door het EHRM uitdrukkelijk als zo’n fysieke beperking genoemd. Eiseres is door haar dwarslaesie op continue, persoonlijke en intieme zorg aangewezen en die zorg is altijd door haar naaste familieleden verleend; sinds haar ouders dat niet meer kunnen is die zorg overgenomen door referent, zijn echtgenote, zijn broers en hun echtgenoten en zijn zussen. Dat er in Syrië nog andere familieleden aanwezig zijn die deze continue bijzondere zorg kunnen verlenen, blijkt niet uit het dossier. Er is op dit moment nog één zus in Syrië (genaamd [naam] ), maar ook voor haar loopt een aanvraag voor gezinshereniging met haar echtgenoot in Nederland. De aanvraag die hier voorligt is om te voorkomen dat eiseres bij het vertrek van [naam] alleen achterblijft zonder de voor haar noodzakelijke continue zorg. Verder is, net als in het arrest Martinez Alvarado, door verweerder op geen enkele manier geconcretiseerd dat er in Syrië daadwerkelijk voorzieningen aanwezig zijn voor de zorg die nu door de familie wordt verleend. De verwijzing van verweerder naar het arrest Kumari in dit kader miskent dat daar geen sprake was van een zodanig ernstige fysieke of geestelijke beperking dat continue zorg noodzakelijk was en ook daadwerkelijk door de familieleden was verleend. Het EHRM benadrukt in het arrest Martinez Alvarado dat in een dergelijk geval andere aspecten die ook in deze zaken door verweerder zijn tegengeworpen, waaronder de financiële ondersteuning, van ondergeschikt belang zijn. Verweerder heeft dat miskend. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt dit besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.2.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 mei 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Hof voor de rechten van de mens.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Martinez Alvarado tegen Nederland, 10 december 2024 (zaaknummer 4470/21).
4.4 Onder meer: Kumari tegen Nederland, 10 december 2024 (zaaknummer 44051/20) en Martinez Alvarado tegen Nederland, 10 december 2024 (zaaknummer 4470/21).
5.5 Martinez Alvarado tegen Nederland, 10 december 2024 (zaaknummer 4470/21), onder 35, 38, 39, 42 en 44.