De rechtbank Den Haag heeft op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres bezwaar maakte tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan haar had opgelegd. Eiseres voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Duitsland, haar land van herkomst, en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege haar persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank overwoog dat het zicht op uitzetting niet afhangt van de persoonlijke situatie van eiseres of de opvangmogelijkheden in Duitsland, maar van de medewerking van de Duitse autoriteiten aan gedwongen terugkeer. Gezien eerdere uitzettingen en de medewerking van Duitsland was er voldoende zicht op uitzetting. Verder werd het betoog dat een lichter middel passend zou zijn verworpen, omdat eiseres sinds april 2024 geen rechtmatig verblijf meer heeft en er een reëel risico is dat zij zich aan toezicht zal onttrekken.
De rechtbank erkende de moeilijke persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar verslaving en psychische gesteldheid, maar vond dat deze niet afdoen aan het risico van onttrekking. Wel werd afgesproken dat de minister zal onderzoeken of opvang en verslavingszorg in Duitsland kunnen worden geregeld ter bevordering van een duurzame uitzetting. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.