De minister van Asiel en Migratie legde op 11 juli 2025 een maatregel van bewaring op aan eiseres vanwege een significant risico op onderduiken. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat het risico niet bestond, dat zij openheid van zaken had gegeven en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.
De rechtbank oordeelde dat aan ten minste twee bewaringsgronden, waaronder één zware grond, was voldaan en dat het risico op onderduiken daardoor terecht werd aangenomen. De intentie van eiseres om naar Nederland te komen en het feit dat haar paspoort in Duitsland lag, waren niet relevant voor het oordeel.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend handelde bij de voorbereiding van de overdracht aan Duitsland, waaronder het tijdig indienen van een claimverzoek en het plannen van het vertrekgesprek. Ook het beroep op een lichter middel faalde, mede omdat eiseres niet beschikte over een reisdocument om zelfstandig te vertrekken.
De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De maatregel van bewaring blijft daarmee in stand.