ECLI:NL:RBDHA:2025:14067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
C/09/679433 / HA RK 25-44
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning en tenuitvoerlegging van een Oekraïens vonnis tegen Gazprom in het kader van de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie

In deze zaak verzoekt de Oekraïense onderneming Slavutich de Rechtbank Den Haag om erkenning en tenuitvoerlegging van een Oekraïens vonnis tegen Gazprom. Het vonnis, gewezen door de rechtbank Zaporizja, veroordeelt Gazprom tot betaling van een schadevergoeding aan Slavutich, die schade heeft geleden door de militaire agressie van de Russische Federatie in Oekraïne. De rechtbank Zaporizja heeft Gazprom aangemerkt als 'alter ego' van de Russische Federatie, wat betekent dat Gazprom hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die Slavutich heeft geleden. De Nederlandse rechtbank verklaart zich echter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek, omdat de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie in het geding is. De rechtbank oordeelt dat deze immuniteit ook geldt voor Gazprom, aangezien het vonnis tegen Gazprom is gebaseerd op de aansprakelijkheid van de Russische Federatie. De rechtbank concludeert dat erkenning van het Gazprom-vonnis in Nederland in strijd zou zijn met het volkenrechtelijke uitgangspunt van soevereiniteit van de Russische Federatie. Slavutich wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rekestnummer: C/09/679433 / HA RK 25-44
Beschikking van 17 juli 2025
in de zaak van
ASSET MANAGEMENT COMPANY SLAVUTICH-INVESTte Zaporizja, Oekraïne,
verzoekster,
advocaat: mr. M.C. van Leyenhorst te Leiden,
tegen
GAZPROM INTERNATIONAL LIMITEDte Kaliningrad, Russische Federatie,
verweerster,
advocaat: mr. E.F. Kraaijeveld te Amsterdam.
Partijen worden hierna ‘Slavutich’ en ‘Gazprom’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, binnengekomen op 31 januari 2025, met producties 1 tot en met 12;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 24;
- de akte overlegging producties van Gazprom met producties 13a en 13b en 14a tot en met 14g;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
Op 22 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Namens Slavutich waren aanwezig mrs. M.C. van Leyenhorst en W.J.L. de Clerck. Namens Gazprom waren aanwezig mrs. J.H. Jung en J.Ph. de Korte en mevrouw [naam] (projectmanager Gazprom).
1.3.
De datum van de beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Slavutich is eigenaar van acht percelen grond in de gemeente Melitopol in de regio Zaporizja in Oekraïne (hierna: de percelen).
2.2.
De Russische Federatie houdt indirect aandelen in Gazprom: zij houdt aandelen in PJSC Gazprom. PJSC Gazprom is enig aandeelhouder van LLC Gazprom Capital, die enig aandeelhouder van Gazprom is. Gazprom heeft verschillende vermogensbestanddelen in Nederland, waaronder aandelen in Wintershall Noordzee B.V. (hierna: Wintershall).
2.3.
In het voorjaar van 2022 is de Russische Federatie een oorlog begonnen tegen Oekraïne, waarbij onder meer Zaporizja is bezet door de Russische Federatie. De percelen liggen in door de Russische Federatie in Oekraïne bezet gebied.
2.4.
Op 31 januari 2023 is Slavutich bij
the Commercial Court of Zaporizhzhia Regionin Oekraïne (hierna: de rechtbank Zaporizja) een procedure gestart tegen de Russische Federatie. In die procedure heeft Slavutich op grond van onrechtmatige daad een vergoeding gevorderd van de schade die zij heeft geleden doordat haar percelen zijn onteigend. De Russische Federatie is in die procedure niet verschenen. Bij verstekvonnis van 4 mei 2023 (hierna: het Rusland-vonnis) heeft de rechtbank Zaporizja de Russische Federatie veroordeeld om aan Slavutich te betalen een bedrag van UAH (Oekraïense Hryvnia) 439.243.988,76 aan schadevergoeding en een bedrag van UAH 398.499,23 aan proceskosten, in totaal gelijk aan ongeveer € 10 miljoen (ten tijde van de indiening van het verzoekschrift). Daartoe heeft de rechtbank Zaporizja overwogen dat de militaire agressie van de Russische Federatie in Oekraïne en de bezetting van bepaalde gebieden door de Russische Federatie ertoe heeft geleid dat Slavutich de vrije en onbeperkte toegang tot haar percelen is ontnomen. Ook werd het Slavutich – kort gezegd – onmogelijk gemaakt om haar eigendomsrechten ten aanzien van de percelen uit te oefenen nu zij niet over haar percelen kan beschikken, deze niet kan gebruiken en evenmin kan overdragen. De rechtbank Zaporizja oordeelde dat de Russische Federatie daarmee een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van Slavutich en dat de Russische Federatie op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Slavutich geleden schade. Met betrekking tot het recht op immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie heeft de rechtbank Zaporizja geoordeeld dat de Russische Federatie geen immuniteit van jurisdictie toekomt in gevallen (zoals daar aan de orde) waarin een vergoeding wordt gevorderd voor schade als gevolg van de (militaire) agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïense burgers, omdat de Russische Federatie de soevereiniteit van Oekraïne heeft geschonden. Verder was de rechtbank Zaporizja van oordeel dat het respecteren van het recht op immuniteit van de Russische Federatie in dit geval Slavutich’ recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou ontnemen.
2.5.
Op 22 mei 2024 heeft Slavutich bij de rechtbank Zaporizja een vordering ingesteld tegen Gazprom, PJSC Gazprom en Gazprom Capital (hierna gezamenlijk: Gazprom c.s.). Slavutich heeft daarbij een schadevergoeding gevorderd van UAH 439.642.487,99 (ongeveer € 10 miljoen). Slavutich heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Gazprom c.s. kunnen worden vereenzelvigd met de Russische Federatie en dat Gazprom c.s. daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld van de Russische Federatie aan Slavutich uit hoofde van het Rusland-vonnis. De Russische Federatie is in deze procedure aangemerkt als derde/belanghebbende aan de zijde van Gazprom c.s. Gazprom c.s. en de Russische Federatie zijn in deze procedure niet verschenen.
2.6.
Op 15 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Slavutich verlof verleend om ten laste van Gazprom conservatoir beslag te leggen op de aandelen van Gazprom in Wintershall. [1]
2.7.
Bij verstekvonnis van 15 augustus 2024 (hierna: het Gazprom-vonnis) heeft de rechtbank Zaporizja de vordering van Slavutich toegewezen en Gazprom c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van UAH 439.642.487,99 (ongeveer € 10 miljoen). In dit verband heeft de rechtbank Zaporizja geoordeeld dat Gazprom c.s. kunnen worden aangemerkt als alter ego’s van de Russische Federatie en om die reden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Slavutich heeft geleden als gevolg van de door de Russische Federatie gepleegde onrechtmatige daad beschreven in het Rusland-vonnis. In het Gazprom-vonnis is geen aandacht besteed aan (al of niet te respecteren) immuniteit van jurisdictie in relatie tot Gazprom c.s.
2.8.
In het Gazprom-vonnis heeft de rechtbank Zaporizja ten aanzien van de aansprakelijkheid van Gazprom c.s. (volgens de beëdigde Engelse vertaling overgelegd door Slavutich in randnummers 194 en 195) onder meer het volgende overwogen:
“In this case, the finding that the Defendants are alter-egos of the Russian State means that not only are they liable for the debt of the Russian State arising under the Decision on the Preliminary Issue, but that by virtue of being part of the Russian State, the Defendants are also part of the identity of the tortfeasor (…). For these purposes, it is entirely irrelevant whether or not the Defendants took an active – or any – part in the commission of the tort in question. (Just as if a tortfeasor was a physical person, it would have been irrelevant whether the tort was committed by that person’s left or right hand.) What is relevant is that at the time of commission of the tort the Defendants were part of the Russian State which (as has been determined in the Decision on the Preliminary Issue) has committed the tort.
The Court has found the Defendants to be alter-egos at the time of commission of the tort against the Plaintiff’s property by the Russian Federation (as has been determined in the Decision on the Preliminary Issue). On that basis of the above, the Court determines that the Defendants are liable for that tort inasmuch as the Russian Federation.”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Slavutich verzoekt de rechtbank om het Gazprom-vonnis te erkennen en verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het Gazprom-vonnis in Nederland, met veroordeling van Gazprom in de kosten.
3.2.
Aan haar verzoek legt Slavutich het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 985 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in combinatie met het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken van 2 juli 2019 (Trb 2024,42, hierna: het Erkenningsverdrag) komt het Gazprom-vonnis voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking. Oekraïne en Nederland zijn partij bij het Erkenningsverdrag en dat verdrag is van toepassing op het Gazprom-vonnis. Er is geen sprake van een in het Erkenningsverdrag genoemde weigeringsgrond. Slavutich wenst zich te verhalen op de aandelen die Gazprom houdt in Wintershall.
3.3.
De conclusie van Gazprom strekt (primair) tot onbevoegdverklaring dan wel afwijzing van het verzoek. Bij toewijzing van het verzoek, verzoekt Gazprom de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans niet zonder voorafgaande zekerheidstelling door Slavutich. Gazprom verzoekt verder Slavutich te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Daartoe voert Gazprom onder meer het volgende aan. Het Erkenningsverdrag is niet van toepassing op het Rusland-vonnis en kan daarom ook niet van toepassing zijn op het Gazprom-vonnis. Voor zover het Erkenningsverdrag wel van toepassing wordt geacht, is niet voldaan aan de vereisten voor toewijzing van het verzoek tot erkenning althans doet zich een weigeringsgrond voor. Omdat de Nederlandse rechter vanwege de aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van jurisdictie geen rechtsmacht zou hebben ten aanzien van het Rusland-vonnis, heeft de rechtbank ook in deze procedure geen rechtsmacht in verband met het recht op immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Wanneer een beslissing van een rechter van een vreemde Staat in Nederland uitvoerbaar is krachtens een verdrag, kan deze beslissing pas in Nederland ten uitvoer worden gelegd na een daartoe verkregen rechterlijk verlof, ook wel exequatur genoemd, aldus artikel 985 Rv. Het Erkenningsverdrag is sinds 1 september 2023 van kracht in Nederland en in Oekraïne en maakt het mogelijk om in Oekraïne gewezen vonnissen in Nederland te erkennen en ten uitvoer te leggen.
Is het Erkenningsverdrag van toepassing op het Gazprom-vonnis?
4.2.
Op grond van artikel 16 van het Erkenningsverdrag is het verdrag van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen indien op het tijdstip waarop de procedure in de staat van herkomst werd ingesteld, het verdrag tussen die staat en de aangezochte staat werking had. Voor de vraag of het Erkenningsverdrag temporeel van toepassing is op het Gazprom-vonnis moet daarom worden vastgesteld op welke datum de procedure die tot dat vonnis heeft geleid is gestart. De procedure tegen Gazprom c.s. is door Slavutich gestart op 22 mei 2024, dus ná inwerkingtreding van het Erkenningsverdrag in Nederland en Oekraïne. Dat betekent dat het Erkenningsverdrag temporeel van toepassing is op het Gazprom-vonnis. Er is geen grond om, zoals Gazprom betoogt, voor de beoordeling van de temporele toepassing van het Erkenningsverdrag op het Gazprom-vonnis de datum aan te houden waarop de procedure tegen de Russische Federatie is gestart. De omstandigheid dat er een (nauwe) samenhang bestaat tussen het Gazprom-vonnis en het Rusland-vonnis, in het bijzonder de omstandigheid dat Gazprom c.s. aansprakelijk worden gehouden voor gedragingen die de Russische Federatie worden verweten en waarvoor deze aansprakelijk werd gehouden in het Rusland-vonnis, is daarvoor niet voldoende. Erkenning en tenuitvoerlegging van het Rusland-vonnis wordt hier niet gevraagd en het Gazprom-vonnis, dat een op zichzelf staande veroordeling van Gazprom bevat, kan - indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan - los van het Rusland-vonnis zelfstandig erkend en tenuitvoergelegd worden. Of, zoals Gazprom aanvoert, artikel 8 lid 2 van het Erkenningsverdrag aan erkenning van het Gazprom-vonnis in de weg staat, omdat het Gazprom-vonnis is gebaseerd op het Rusland-vonnis, kan in het kader van de beoordeling van de temporele toepassing van het Erkenningsverdrag in het midden blijven. Hierna zal, wanneer de staatsimmuniteit aan de orde komt, ook de samenhang tussen het Gazprom-vonnis en het Rusland-vonnis worden besproken.
4.3.
Gazprom stelt zich op het standpunt dat het Gazprom-vonnis ziet op aansprakelijkheid voor of in verband met militair handelen van de Russische Federatie en dat dit handelen is uitgezonderd van het materiële toepassingsgebied van het Erkenningsverdrag. Gazprom neemt verder het standpunt in dat de door Slavutich gestelde onteigening van haar percelen het gevolg is van rechtshandhavingsactiviteiten van de Russische Federatie en dat ook rechtshandhavingsactiviteiten zijn uitgezonderd van het materiële toepassingsgebied. De rechtbank gaat er in het navolgende veronderstellenderwijs van uit dat het Erkenningsverdrag ook materieel van toepassing is. Dat betekent dat voorshands wordt aangenomen dat het Gazprom-vonnis een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Erkenningsverdrag betreft. Of sprake is van de door Gazprom aangevoerde uitsluitingsgronden, laat de rechtbank in het midden. Hierna zal in het kader van de beoordeling van het beroep van Gazprom op immuniteit van jurisdictie worden beoordeeld welk handelen centraal staat in het Gazprom-vonnis en hoe dat handelen moet worden gekwalificeerd.
Relatie tussen het Rusland-vonnis en het Gazprom-vonnis
4.4.
De rechtbank Zaporizja heeft in het Rusland-vonnis geoordeeld dat de Russische Federatie aansprakelijk is voor de schade die Slavutich heeft geleden doordat zij als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie en de daarop volgende bezetting van bepaalde gebieden in Oekraïne, de beschikking over haar percelen is verloren en haar eigendomsrechten ten aanzien van de percelen niet meer kan uitoefenen. De schade van Slavutich bestaat naar het oordeel van de rechtbank Zaporizja uit de marktwaarde van de percelen.
4.5.
In het Gazprom-vonnis heeft de rechtbank Zaporizja ten aanzien van de omstandigheden die hebben geleid tot de schade van Slavutich, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.
Sinds 2022 heeft de Russische Federatie in de door haar bezette gebieden pro-Russische autoriteiten bevoegdheden gegeven. Die autoriteiten zijn een
de factoonteigeningsproces gestart van eigendommen van Oekraïense particulieren en bedrijven. Daarbij werden eigenaren van onroerend goed (in de bezette gebieden) door deze lokale autoriteiten opgeroepen hun eigendommen te identificeren en bewijs van eigendom te overleggen aan de Russische belastingdienst. Bij niet-tijdige nakoming hiervan zouden zij hun eigendommen verliezen. De registratie van eigendommen was alleen mogelijk na verkrijging van het Russisch staatsburgerschap, dat weer zou kunnen leiden tot gedwongen deelname aan het bezettingsleger. Personen die zouden meewerken aan de identificatie van eigendommen zouden naar het recht van Oekraïne strafbaar handelen. Dit alles heeft ertoe geleid dat eigenaren van onroerend goed, waaronder Slavutich, niet anders konden dan het opgeven van hun eigendommen. De rechtbank Zaporizja heeft geoordeeld dat de acties van de Russische Federatie ertoe hebben geleid dat Slavutich de eigendom van de percelen is kwijtgeraakt. In het vervolg van het Gazprom-vonnis heeft de rechtbank Zaporizja geoordeeld dat Gazprom c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor daardoor door Slavutich geleden schade, omdat Gazprom c.s. naar Oekraïens recht kunnen worden vereenzelvigd met de Russische Federatie. Daartoe heeft de rechtbank Zaporizja onder verwijzing naar een uitspraak van het Oekraïense Hooggerechtshof te Kyiv van 20 juli 2022 [2] geoordeeld dat Gazprom c.s. niet institutioneel onafhankelijk zijn van de Russische Federatie en als het ware fungeren als instrumenten van de Russische Federatie. Hierbij heeft de rechtbank Zaporizja verder overwogen dat de eigendommen van Gazprom c.s. en de Russische Federatie weliswaar formeel zijn gescheiden, maar dat dit onderscheid er in praktisch en economisch opzicht niet is. Daarnaast heeft de rechtbank Zaporizja overwogen dat niet ter zake doet of Gazprom c.s. hebben bijgedragen aan het plegen van de onrechtmatige daad, maar dat het voldoende is dat zij onderdeel uitmaakten van (de identiteit van) de Russische Federatie op het moment dat deze de onrechtmatige gedragingen beging.
Immuniteit van jurisdictie
4.6.
Uit het Gazprom-vonnis volgt dat de schuld van Gazprom aan Slavutich onverbrekelijk verbonden is met het door dezelfde rechtbank beoordeelde onrechtmatig handelen van de Russische Federatie jegens Slavutich. Gazprom wordt immers aansprakelijk gehouden voor het handelen van de Russische Federatie. Deze bijzondere omstandigheid roept de vraag op of deze rechtbank rechtsmacht heeft een oordeel te vellen dat ertoe kan leiden dat het vonnis gewezen tegen Gazprom in Nederland erkend en uitvoerbaar verklaard wordt. Anders geformuleerd: geldt immuniteit van jurisdictie in relatie tot de Russische Federatie – voor zover in dit geval van toepassing – niet evenzeer in relatie tot Gazprom, een – in de woorden van de rechtbank Zaporizja – alter ego van de Russische Federatie? Gazprom voert dat namelijk aan: ook zij kan zich beroepen op de immuniteit van jurisdictie.
4.7.
Op grond van het volkenrecht zijn nationale rechters in beginsel niet bevoegd om rechtsvorderingen tegen een vreemde staat en hun ambtsdragers te berechten. De wederzijdse onafhankelijkheid van staten verzet zich ertegen dat de ene soevereine staat tegen zijn wil wordt onderworpen aan de rechtsmacht van een andere soevereine staat. Indien aan die vreemde staat immuniteit van jurisdictie toekomt, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en zal deze rechter zich onbevoegd verklaren. Dat volgt uit artikel 13a Wet Algemene Bepalingen. Indien geen voor Nederland verbindende verdragsregeling van toepassing is, bepaalt het Nederlandse recht op welke wijze de Nederlandse rechter toepassing moet geven aan het recht op immuniteit van jurisdictie. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van Nederlands burgerlijk procesrecht niet slechts bevoegd maar ambtshalve gehouden is te onderzoeken of aan de vreemde staat immuniteit van jurisdictie toekomt. [3] Dat is, in tegenstelling tot wat Slavutich betoogt, niet anders in een exequaturprocedure. Ook dan dient de Nederlandse rechter, zo nodig ambtshalve, te onderzoeken of immuniteit van jurisdictie van een vreemde staat aan de orde is. Slavutich kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat een rechter in een exequaturprocedure naar internationaal gewoonterecht niet is gehouden om immuniteit van jurisdictie toe te passen. In geval van immuniteit van jurisdictie staat artikel 13a Wet Algemene Bepalingen eraan in de weg dat de rechtbank rechtsmacht ontleent aan artikel 3, aanhef en onder c, Rv in verbinding met artikel 986 Rv. Dat de rechtbank hiertoe gehouden is, wordt bevestigd door het Internationaal Gerechtshof (IGH) in diens uitspraak van 3 februari 2012 [4] . Het IGH heeft toen geoordeeld dat Italië in strijd met haar volkenrechtelijke verplichtingen in een exequaturprocedure met betrekking tot in Griekenland gewezen vonnissen ten onrechte geen immuniteit had toegekend aan Duitsland. Of hiervan ook sprake is wanneer de vreemde staat wiens immuniteit in het geding is, geen partij is in de exequaturprocedure, zal hierna aan bod komen. Dat in deze exequaturprocedure een inhoudelijke toetsing van enig handelen van de Russische Federatie niet aan de orde is, betekent niet (zonder meer) dat de immuniteit van de Russische Federatie niet in het geding kan zijn. Kortom, in deze exequaturprocedure dient de rechtbank zich een eigen oordeel te vormen over (primair) de vraag of de immuniteit van de Russische Federatie in het geding is. De Nederlandse rechter kan het oordeel van de Oekraïense rechter over de (al of niet te respecteren) immuniteit van jurisdictie in het Rusland-vonnis dus niet zonder meer overnemen.
4.8.
Het voorgaande lijkt ook bevestigd te worden door de tekst van het Erkenningsverdrag, waar dit in artikel 2 lid 5 bepaalt dat het verdrag de immuniteiten van staten of van internationale organisaties ten aanzien van henzelf of van hun eigendommen onverlet laat. Dat bevestigt dat toepasselijkheid van het Erkenningsverdrag niet afdoet aan de volkenrechtelijke verplichting van de aangezochte staat om de immuniteit van vreemde staten, en aldus de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, zelfstandig te onderzoeken.
Immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie in de Rusland-zaak
4.9.
Een vreemde staat komt uitsluitend een beroep op immuniteit van jurisdictie toe wanneer het gaat om handelingen die de staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak (
acta iure imperii) en niet wanneer hij op de voet van gelijkheid rechtsbetrekkingen is aangegaan met particulieren (
acta iure gestionis), waarvan sprake is als een staat als privaatrechtelijk rechtssubject deelneemt aan het rechtsverkeer. Bij
acta iure imperiigaat het om ‘typische overheidshandelingen’. Het onderscheid tussen
acta iure imperiien
acta iure gestionismoet worden gezocht in de aard van de handeling en niet het doel daarvan. [5]
Is er ten aanzien van de Russische Federatie sprake van acta iure imperii?
4.10.
In het Rusland-vonnis heeft de Oekraïense rechter geoordeeld dat de Russische Federatie onrechtmatig heeft gehandeld doordat Slavutich als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie en de bezetting van gebieden in Oekraïne de beschikking over haar percelen is verloren en haar eigendomsrechten niet meer kon uitoefenen. In het Gazprom-vonnis is daarover verder overwogen dat de Russische Federatie na de militaire agressie en de bezetting pro-Russische autoriteiten in staat heeft gesteld om een
de factoonteigeningsproces uit te voeren, waarbij eigenaren van onroerend goed werden gedwongen om hun eigendommen te registreren bij de Russische belastingdienst, bij gebreke waarvan de goederen als ‘zonder eigenaar’ zouden worden bestempeld. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op deze omstandigheden evident dat de aan de Russische Federatie verweten handelingen, waarvoor Gazprom hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden, zijn aan te merken als handelingen die zijn verricht in de uitoefening van een overheidstaak. Op geen enkele manier kan hier worden gesproken van handelen op een wijze die is te beschouwen als het op de voet van gelijkheid rechtsbetrekkingen aangaan met een particulier. Hier is onmiskenbaar sprake van (de gevolgen van) militair optreden en de (quasi-)invoering van Russische rechtsregels.
Tussenconclusie
4.11.
Aangezien de in het Rusland-vonnis aan de Russische Federatie verweten gedragingen naar het volkenrecht moeten worden beschouwd als overheidshandelen (
acta iure imperii), komt de Russische Federatie die voor de civiele rechter van een vreemde staat hiervoor ter verantwoording wordt geroepen immuniteit van jurisdictie toe. Indien Slavutich om erkenning en tenuitvoerlegging van het Rusland-vonnis had verzocht, had de rechtbank zich bij gebreke van rechtsmacht onbevoegd moeten verklaren.
De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag wat dit betekent voor de erkenning en tenuitvoerlegging van het Gazprom-vonnis.
Immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie en de positie van Gazprom
4.12.
De verplichting van staten (en daarmee de rechtbank) om staatssoevereiniteit te respecteren en te effectueren en dus te voorkomen dat zij rechtsmacht over een andere staat uitoefenen geldt in beginsel ook in gevallen waarin de vreemde staat geen partij is bij de procedure, maar de immuniteit van jurisdictie van die staat wel in het geding is. [6]
4.13.
Hoewel in deze procedure niet om een verlof strekkende tot erkenning en tenuitvoerlegging van het Rusland-vonnis wordt verzocht maar van het Gazprom-vonnis, bestaat er tussen de beide vonnissen onmiskenbaar een nauwe samenhang, zoals hiervoor in 4.5 al aan de orde kwam. Gazprom c.s. zijn louter op grond van vereenzelviging (ook) veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding tot betaling waarvan de Russische Federatie wegens haar (toegerekende) gedragingen in het Rusland-vonnis is veroordeeld. In de procedure die heeft geleid tot het Gazprom-vonnis is de Russische Federatie aangemerkt als belanghebbende, klaarblijkelijk vanwege de vereenzelviging die de rechtbank Zaporizja aanwezig achtte, waardoor een beoordeling van eigen gedragingen van Gazprom niet (meer) aan de orde was. Of Gazprom c.s. zelf, door tussenkomst van eigen functionarissen een (actieve) bijdrage aan het onrechtmatig handelen hebben geleverd was kennelijk niet relevant. Omdat Gazprom gezien wordt als één met, dan wel onderdeel van, de Russische Federatie en de veroordeling van Gazprom volledig is gebaseerd op gedragingen van de Russische Federatie, komt de rechtbank tot het oordeel dat erkenning van het Gazprom-vonnis in Nederland op gespannen voet staat met het volkenrechtelijke uitgangspunt van soevereiniteit van de Russische Federatie. In dit licht is het niet noodzakelijk dat Gazprom aantoont dat zij (ook) naar Nederlands recht een instrument of onderdeel is van de Russische Federatie. Het maakt ook niet uit dat Gazprom zichzelf niet als alter ego van de Russische Federatie beschouwt.
4.14.
Nu Gazprom door de rechtbank Zaporizja is aangemerkt als instrument, als alter ego, van de Russische Federatie en om die reden – en om die reden alleen – is veroordeeld tot vergoeding van door de Russische Federatie veroorzaakte schade, kan het niet anders zijn dan dat de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie in het geding is. De rechtbank is gehouden om het recht op immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie te respecteren. Er is geen reden om aan te nemen dat de Russische Federatie van haar recht op immuniteit afstand heeft gedaan.
4.15.
In artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb 2010, 272, hierna: VN-Verdrag) is een uitzondering opgenomen op de regel van immuniteit van jurisdictie. Dat verdrag is nog niet in werking getreden. Er wordt wel aangenomen dat de verdragsbepalingen deels een codificatie van internationaal gewoonterecht behelzen. Of artikel 12 VN-Verdrag (reeds nu geldend) internationaal gewoonterecht verwoordt is onzeker. Voor zover daarvan wel zou moeten worden uitgegaan, verschaft deze regel in dit geval geen uitzondering op het recht op immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie ten overstaan van de Nederlandse rechter, omdat die uitzondering volgens de tekst van artikel 12 VN-Verdrag alleen geldt voor gerechten van de staat waarin de onrechtmatige gedragingen hebben plaatsgevonden.
Conclusie en proceskosten
4.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich ook in dit geval – waarin de Russische Federatie niet direct betrokken is bij het verzoek tot erkenning – onbevoegd moet verklaren bij gebreke van rechtsmacht. Aan de overige verweren van Gazprom komt de rechtbank niet toe.
4.17.
Slavutich is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gazprom worden begroot op:
- griffierecht € 160,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.566,00
4.18.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van Slavutich;
5.2.
veroordeelt Slavutich in de proceskosten van € 1.566,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Slavutich niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet Slavutich € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Slavutich in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.
type: 3151

Voetnoten

1.Gazprom betwist dat op 16 mei 2024 rechtsgeldig beslag is gelegd omdat tot op heden geen rechtsgeldige betekening van de beslagstukken aan Gazprom zou hebben plaatsgevonden.
2.Hooggerechtshof Oekraïne, Kyiv, 20 juli 2022, zaaknummer 910/4210/20 (Prominvestbank).
3.Hoge Raad 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054.
4.Jurisdictional Immunities of the State (Germany c. Italy: Greece intervening), Judgment, I.C.J. Reports 2012, p. 99.
5.Hoge Raad 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0974 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2380.
6.Zo ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2380, r.o. 3.8.1.