ECLI:NL:RBDHA:2025:14083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
C/09/681657 / KG ZA 25-206
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • S.J. Hoekstra- van Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.37 ARW 2016Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake fundamentele gebreken aanbesteding beheer Marineterrein Amsterdam

De zaak betreft een kort gedingprocedure waarin BUREAU NTB B.V. (NTB) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) aansprakelijk stelt vanwege vermeende fundamentele gebreken in de aanbestedingsprocedure voor het tijdelijk beheer van het Marineterrein in Amsterdam. NTB betoogt dat de beoordelingsmethodiek niet leidt tot de economisch meest voordelige inschrijving en dat de opdracht te onbepaald is.

De aanbestedingsprocedure omvatte een Europese niet-openbare procedure met een vaste inschrijvingsdeadline. NTB heeft tijdig ingeschreven, evenals een combinatie van [naam 1] en TEPP Real Estate B.V. (de Combinatie). NTB betwist de geldigheid van de inschrijving van de Combinatie en voert aan dat de beoordelingssystematiek ondoorzichtig is en strategisch bieden stimuleert.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Combinatie terecht is toegelaten ondanks een aanvankelijke onvolledigheid in de eigen verklaringen, omdat herstel is toegestaan en de inschrijving als combinatie duidelijk was. De rechter stelt vast dat de beoordelingsmethodiek, ondanks het vaste personeelsbudget voor 2025, niet fundamenteel gebrekkig is, mede omdat voor latere jaren wel prijsconcurrentie plaatsvindt en het RVB de begrotingen controleert. Ook is geen sprake van onbepaaldheid van de opdracht, aangezien voldoende informatie beschikbaar was en er gelegenheid was tot schouw en vragen.

De vorderingen van NTB worden afgewezen, evenals de subsidiaire verzoeken. NTB wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel het RVB als de Combinatie. De uitspraak bevestigt dat de aanbestedingsprocedure en gunningsbeslissing rechtmatig zijn verlopen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van NTB af en veroordeelt NTB in de proceskosten van het RVB en de Combinatie.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/681657 / KG ZA 25-206
Vonnis in kort geding van 11 juni 2025
in de zaak van
BUREAU NTB B.V.te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mrs. T.A. Burger en T.M.O. Bottinga te Den Haag,
waarin zijn tussengekomen:
[naam 1]te [woonplaats] en
TEPP REAL ESTATE B.V.te Amsterdam,
advocaat mr. M.J. Verbaken te Amsterdam.
Eisers en gedaagde worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘NTB’ en ‘het RVB’ en interveniënten als ‘ [naam 1] ’ en ‘TEPP’ en gezamenlijk als ‘de Combinatie’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 maart 2025 met producties 1 tot en met 13;
- de akte overlegging producties van de zijde van NTB met producties 14 tot en met 18;
- de incidentele conclusie houdende tussenkomst subsidiair voeging van de zijde van de Combinatie;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- de akte overlegging producties tevens verzoek ex artikel 22 lid 1 Rv Pro van de zijde van NTB met producties 19 tot en met 24;
- de akte houdende producties van de zijde van de Combinatie met daarbij de producties 1a tot en met 1d en 2 tot en met 4;
- de akte houdende producties van de zijde van de Combinatie met daarbij de producties 5 en 6;
- de op 21 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Staat is eigenaar van de grond en gebouwen op het Marineterrein in Amsterdam. Het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) heeft op 27 juni 2024 op Tenderned een aanbestedingsprocedure ‘Tijdelijk beheer van het Marineterrein Amsterdam’ (hierna ook: de opdracht) aangekondigd. De opdracht, die wordt gegeven voor drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging van één jaar, is daarbij als volgt omschreven:
2.2.
In de Aanbestedingsleidraad aanmeldingsfase Europese niet-openbare procedure staat over de beschrijving van het project en opdracht onder meer het volgende opgenomen:
2.3.
De samenwerking tussen de Staat en de gemeente Amsterdam om tot de geleidelijke herontwikkeling van het Marineterrein te komen is neergelegd in een in 2013 gesloten bestuursovereenkomst. Ten behoeve van de ontwikkeling van het Marineterrein is op grond van de bestuursovereenkomst een projectorganisatie ingericht: het Projectbureau Marineterrein Amsterdam (PBMA). PBMA is op dit moment verantwoordelijk voor het beheer. In de afgelopen elf jaar heeft PBMA het Marineterrein beheerd, zorggedragen voor het onderhoud en de mogelijkheden gecreëerd voor derden om op het Marineterrein te verblijven, werken en recreëren. PBMA bestaat uit een projectdirecteur en ongeveer 20 medewerkers (10 fte), die als zzp-ers werkzaam zijn. Uit de bestuursovereenkomst volgt dat de directeur van PBMA verantwoording aflegt aan de Stuurgroep, onder andere over het financiële verloop van de (her)ontwikkeling van het Marineterrein.
2.4.
In de Aanbestedingsleidraad aanmeldingsfase staat in hoofdstuk 6 (Aanmelding) onder meer het volgende opgenomen:
Paragraaf 6.1:
“Ondernemingen die in aanmerking willen komen voor een uitnodiging tot inschrijving moeten een tijdige, volledige en correcte aanmelding indienen via het dashboard van deze aanbesteding. (…)”
Paragraaf 6.2:
“Een combinatie kan zich aanmelden als een gegadigde. In dat geval is het afzonderlijk aanmelden als gegadigde door een van de combinanten, alleen of in combinatie met anderen, niet toegestaan.”
Paragraaf 6.5:
“Voor de eigen verklaring dient gebruik te worden gemaakt van het model behorende bij deze aanbestedingsleidraad.
De eigen verklaring dient volledig te zijn ingevuld en ondertekend door een of meerdere daartoe bevoegde vertegenwoordigers van de gegadigde (…)
In het geval van aanmelding door een combinatie, dient elk van de combinanten afzonderlijk een ondertekende eigen verklaring in te dienen met daarin de in de delen II tot en met VI gevraagde gegevens. (…)”
2.5.
De uiterste datum voor aanmelding voor de aanbesteding was 2 september 2024. NTB heeft zich tijdig aangemeld voor de aanbesteding. [naam 1] en TEPP hebben vóór 2 september 2024 gezamenlijk één Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) aangeleverd. In dit UEA staat vermeld dat [naam 1] tezamen met TEPP inschrijft voor de aanbesteding. Het document is ondertekend door zowel [naam 1] als door de bestuurder van TEPP. Het RVB heeft [naam 1] en TEPP na 2 september 2024 erop gewezen dat [naam 1] en TEPP elk afzonderlijk een UEA moesten aanleveren en TEPP daartoe alsnog in de gelegenheid gesteld. Dit is vervolgens door TEPP op 18 september 2024 gedaan.
2.6.
Op 10 oktober 2024 is de selectiebeslissing bekendgemaakt, waarbij vijf gegadigden zijn toegelaten tot de inschrijvingsfase, waaronder NTB en [naam 1] en TEPP (als combinatie). Aan de gegadigden die zijn toegelaten tot de inschrijvingsfase zijn, naast een Aanbestedingsleidraad inschrijvingsfase, nog de volgende stukken ter beschikking gesteld:
- Werkomschrijving;
- Prijzenblad;
- Rolomschrijving;
- Dienstverleningsovereenkomst met bijbehorende stukken.
In de Werkomschrijving is met betrekking tot de vastgestelde budgetten het volgende vermeld:
2.7.
In de Aanbestedingsleidraad inschrijving is over het gunningscriterium en de gunningsmethode het volgende opgenomen:
2.8.
In paragraaf 3.4 van Aanbestedingsleidraad inschrijving heeft het RVB vier kwaliteitscriteria bepaald, met de volgende bijbehorende maximale kwaliteitswaarde, waarbij geldt dat de totale maximale kwaliteitswaarde € 400.000,- is:
2.9.
In 4.2.1.2 van de Aanbestedingsleidraad is over het prijzenblad ‘Uurtarieven’ het volgende opgenomen:
2.10.
In het Prijzenblad dat het RVB heeft verstrekt staat het volgende vermeld:
2.11.
NTB is speciaal opgericht ten behoeve van de aanbestedingsprocedure die het RVB voert, en diverse personen die op dit moment deel uitmaken van PBMA zijn betrokken bij NTB. NTB heeft een geldige inschrijving ingediend.
2.12.
Het RVB heeft op 10 februari 2025 een gesprek gehad met zowel [naam 1] als de heer [naam 2] (bestuurder van TEPP) met als doel de ingediende inschrijving te verifiëren, omdat was geconstateerd dat de geoffreerde prijs substantieel afweek van de overige inschrijvingen. Uit het verslag dat van dat gesprek is opgemaakt volgt, dat [naam 1] en [naam 2] zeer enthousiast zijn over de opdracht, mede vanwege de locatie die zij bijzonder interessant vinden, en dat daarom door hen scherp is ingeschreven. Verder staat vermeld dat [naam 1] de ingediende uurtarieven doorgerekend heeft en dat die door haar realistisch zijn geacht. Zij heeft gesteld dat deze uurtarieven gangbaar zijn voor leidinggevende posities binnen de cultuursector (de achtergrond van [naam 1] ). Het verslag sluit af met de conclusie dat er voor de projectgroep van het RVB geen reden is om de inschrijving van [naam 1] aan te merken als een ‘abnormaal lage inschrijving’ als bedoeld in artikel 3.37 van het ARW 2016.
2.13.
Op 17 februari 2025 heeft het RVB aan de inschrijvers de gunningsbeslissing toegezonden. Uit het beoordelingsformulier volgt dat NTB als tweede in de rangorde is geëindigd en dat inschrijver [naam 1] als eerste in de rangorde is geëindigd. NTB heeft op de kwaliteitswaarde beter gescoord dan [naam 1] . [naam 1] heeft beter gescoord op de inschrijvingssom. Daaraan ligt ten grondslag dat NTB een gemiddeld uurtarief van € 108,75 heeft geoffreerd, terwijl [naam 1] een uurtarief van € 60,- heeft geoffreerd. De scores zijn als volgt:
2.14.
NTB heeft bij brief van 25 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing. Zij heeft aangevoerd dat zij na grondige bestudering van de beoordelingsformulieren en de gehanteerde systematiek meent dat de aanbestedingsprocedure fundamentele gebreken bevat en dat de beoordeling van de inschrijvingen onjuist is. Zij heeft het RVB verzocht om de aanbestedingsprocedure te staken en desgewenst de opdracht opnieuw aan te besteden, waarbij de fundamentele gebreken zijn opgelost, subsidiair heeft zij om een herbeoordeling verzocht. NTB heeft als bezwaren onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Ongeacht wat een inschrijver offreert, als opdrachtnemer ontvangt hij het beschikbare budget van € 1.660.000 excl. btw. Dat budget moet besteed worden aan personeelskosten, waaronder het kernteam, en de andere kosten van de uitvoering van de werkzaamheden.
Door geen bindende raming of prijsopgave te vereisten, maar wel een “fictieve inschrijvingssom” te hanteren, is er een rekenmethode ontstaan die geen recht doet aan de werkelijke prijs-kwaliteitsverhouding.
De huidige methodiek stelt inschrijvers in staat een lage prijs in te dienen zonder consequenties (immers, het betreft een fixed fee), terwijl deze fictieve prijs wel doorslaggevend wordt in de beoordeling:

Het creëert een prikkel om kunstmatig lage kernteamtarieven op te geven, zonder dat dit enige echte kostenbesparing oplevert voor de aanbestedende dienst

Het staat op gespannen voet met de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht, waaronder het transparantiebeginsel: de werkelijke prijs (fixed fee) speelt geen rol in de beoordeling

Het leidt tot strategisch bieden zonder reële economische onderbouwing

De beoordelingsmethodiek leidt niet tot het identificeren van de economisch meest voordelige inschrijving, gelet op de beste prijs-kwaliteitverhouding (wat wel het doel is van deze aanbesteding)

Er is geen direct verband tussen de fictieve prijsvergelijking en de werkelijke kosten voor de aanbestedende dienst

De hoogste kwaliteit wordt ten onrechte niet beloond
Dit brengt mee dat de inschrijvers feitelijk niet concurreren op het financiële criterium. Door desondanks uurtarieven uit te vragen en daaraan een score toe te kennen, creëert het rvb een inhoudsloos criterium. Bovendien leidt het hanteren van dit criterium niet tot de economisch meest voordelige inschrijving, gelet op de beste prijs kwaliteitverhouding, juist vanwege het feit dat de opdrachtnemer toch gewoon het beschikbare budget ontvangt. Daarmee voldoet de systematiek niet aan de eisen die de wet daaraan stelt en is het daarmee in strijd. Dat maakt de opzet van de aanbesteding fundamenteel gebrekkig.”
2.15.
Het RVB heeft bij brief van 6 maart 2025 gereageerd en er onder meer op gewezen dat op grond van paragraaf 8.3 van de Aanbestedingsleidraad aanmeldingsfase op de gegadigde en inschrijver de verplichting rust om eventuele onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk in de inlichtingen-fase te melden. Het RVB heeft betwist dat de aanbestedingsprocedure fundamentele gebreken zou bevatten, maar daarbij stelt zij tevens dat dit bezwaar van NTB op grond van vaste jurisprudentie (Grossmann-arrest) te laat naar voren is gebracht, zodat NTB haar rechten heeft verwerkt om daar tegenop te komen. Verder heeft het RVB erop gewezen dat NTB ten onrechte stelt dat de (te selecteren) opdrachtnemer en budget van € 1.660.000 exclusief btw “ontvangt”. Zij heeft erop gewezen dat het genoemde bedrag het maximale budget is dat de opdrachtgever ter beschikking heeft waarbinnen de uitgevraagde werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, en dat het dus geen “fixed fee” is. Het RVB heeft daarbij aangevoerd dat op het financiële criterium weldegelijk concurrentie plaatsvindt, maar dan uitsluitend op de werkzaamheden van het kernteam.

3.Het geschil

3.1.
NTB vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: het RVB te veroordelen (1) de gunningsbeslissing d.d. 7 februari 2025 inzake het Marineterrein in te trekken en ingetrokken te houden, en (2) de aanbestedingsprocedure ‘Tijdelijk beheer van het Marineterrein Amsterdam’, met Tenderned-kenmerk 474113, te staken en gestaakt te houden;
Subsidiair: het RVB te veroordelen (1) de gunningsbeslissing d.d. 7 februari 2025 inzake het Marineterrein in te trekken en ingetrokken te houden, en (2) de inschrijving van mevrouw [naam 1] , die het RVB als voorlopig winnende inschrijving heeft aangemerkt, uit te sluiten, en (3) een nieuwe gunningsbeslissing te nemen waarbij de opdracht wordt gegund aan geen ander dan aan NTB, indien het RVB de opdracht nog altijd wenst te verstrekken;
Meer subsidiair: het RVB te veroordelen (1) de gunningsbeslissing d.d. 7 februari 2025 inzake het Marineterrein in te trekken en ingetrokken te houden, en (2) de inschrijving van mevrouw [naam 1] , die het RVB als voorlopig winnende inschrijving heeft aangemerkt, effectief en objectief te onderzoeken met inachtneming van het gestelde vonnis, en (3) NTB te informeren over de opzet van het onderzoek, de wijze van uitvoering, de analyse en de conclusies van het onderzoek, en (4) NTB (en de overige inschrijvers) de gelegenheid te geven bezwaar in te dienen tegen het uitgevoerde onderzoek en daartoe een termijn te stellen van 20 kalenderdagen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen redelijke termijn, en (5) de uitkomsten van dat bezwaar af te wachten, en (6) indien en voor zover dat volgt uit het onderzoek en de daartegen gerichte bezwaren, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen waarbij de opdracht wordt gegund aan geen ander dan aan NTB, indien het RVB de opdracht nog altijd wenst te verstrekken;
Uiterst subsidiair: een andere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van NTB;
In alle gevallen: het RVB (de Staat) te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van NTB, alsmede de nakosten, met de aantekening dat als niet binnen veertien kalenderdagen na wijzen van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende kalenderdag tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Daartoe voert NTB – samengevat – het volgende aan.
Het RVB is gehouden de aanbestedingsprocedure te staken omdat de methodiek van beoordelen van de inschrijvingen niet leidt, althans niet per definitie leidt, tot de economisch meest voordelige inschrijving, gelet op de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarbij zijn de aanbestedingsstukken voor meerderlei uitleg vatbaar en dat maakt de procedure fundamenteel gebrekkig. Het RVB meent namelijk ten onrechte dat er geen sprake is van een fixed fee. Verder geldt dat de opdracht onbepaald is omdat de inschrijvers niet volledig, althans niet afdoende zijn geïnformeerd over de omvang en de reikwijdte van de opdracht.
De subsidiaire en de meer subsidiaire vordering zijn gebaseerd op de gunningsbeslissing, waaruit blijkt dat [naam 1] verreweg de laagste uurtarieven heeft geoffreerd. Ten aanzien van het meer subsidiair gevorderde geldt, dat de onderzoeksplicht met zich brengt dat het RVB effectief en objectief de juistheid van de inschrijving van [naam 1] moet onderzoeken, vooral waar het de geoffreerde uurtarieven betreft.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3.4.
De Combinatie vordert:
  • NTB niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen;
  • voorwaardelijk: het RVB te gebieden de Opdracht, voor zover zij die nog wenst te gunnen, aan de Combinatie te gunnen, en
  • NTB te veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak.
3.5.
Voor zover nodig zullen de standpunten van NTB en de Staat met betrekking tot de vorderingen van de Combinatie hierna worden besproken.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Ter zitting is allereerst de vraag aan de orde gekomen of het de Combinatie moet worden toegestaan om in de procedure tussen NTB en het RVB te mogen tussenkomen, althans zich te mogen voegen aan de zijde van het RVB. NTB heeft aangevoerd dat de incidentele vordering van de Combinatie moet worden afgewezen en dat de Combinatie niet ontvankelijk verklaard moeten worden. NTB voert daartoe aan dat de beoogde gezamenlijke inschrijving van [naam 1] en TEPP (mogelijk) ongeldig is, en de opdracht dus niet aan de Combinatie gegund mag worden. Daartoe is volgens NTB van belang dat niet gebleken is dat [naam 1] en TEPP als combinatie hebben ingeschreven in deze aanbestedingsprocedure. In dat verband heeft NTB erop gewezen dat het RVB in de gunningsbeslissing (alleen) [naam 1] als eerste in de rangorde heeft geselecteerd en dat over het bestaan van TEPP daarbij niet gerept wordt. NTB is van het bestaan van TEPP pas kort voor het kort geding op de hoogte geraakt. NTB heeft om die reden in haar akte van 19 mei 2025 uiteengezet dat de wijze waarop [naam 1] en TEPP hebben ingeschreven eerst opgehelderd moet worden. In dat verband heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om het RVB te bevelen de UEA’s van [naam 1] en TEPP te overleggen, zodat de ontstane onduidelijkheid over de wijze van inschrijving van [naam 1] en TEPP getoetst kan worden.
4.2.
Het RVB heeft ter zitting de UEA’s van [naam 1] en TEPP aan de advocaat van NTB overhandigd. NTB heeft op basis daarvan geconcludeerd dat [naam 1] en TEPP niet ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vordering in de onderhavige procedure, omdat gebleken is dat zij niet elk voor het sluiten van de aanmeldingsfase (2 september 2024) een eigen verklaring hebben ingediend. Weliswaar heeft [naam 1] tijdig een UEA ingediend waarin ook TEPP als combinant wordt vermeld, maar van een eigen UEA van TEPP dat tijdig is ingediend is niet gebleken. De omstandigheid dat TEPP als combinant op het wel tijdig ingediende formulier is vermeld en dat formulier mede is getekend door de bestuurder van TEPP is onvoldoende, hetgeen met zich brengt dat [naam 1] en TEPP als combinatie moeten worden uitgesloten, en dus ook niet mogen tussenkomen, aldus nog steeds NTB.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in hoofdstuk 6 van de aanbestedingsleidraad inschrijving staat vermeld dat in het geval van een aanmelding door een combinatie, elk van de combinanten bij aanmelding afzonderlijk een eigen verklaring moet indienen. Gebleken is dat dat aanvankelijk niet is gebeurd en dat het RVB, na ontdekking van de fout, aan TEPP na sluiting van de aanmeldingsfase de gelegenheid heeft geboden alsnog een separate eigen verklaring in te dienen. Het RVB heeft verder toegelicht dat in de gunningsbeslissing per abuis alleen [naam 1] als inschrijver staat vermeld (die als hoogste in de rangorde is geëindigd), maar dat dit berust op een evidente omissie; daar had [naam 1] en TEPP moeten staan, nu zij gezamenlijk hebben ingeschreven.
4.4.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting geoordeeld dat er onder de gegeven omstandigheden geen reden voor het RVB was om [naam 1] en TEPP direct uit te sluiten van deelname aan de aanbesteding. Daarvoor is van belang, zoals namens het RVB ook is aangevoerd, dat al van aanvang af bij het RVB duidelijk was dat [naam 1] en TEPP als combinatie wilden inschrijven. Zij hebben ook elk een handtekening gezet op het (eerste) UEA, waarop [naam 1] en TEPP beiden stonden vermeld. Dat het RVB TEPP onder deze omstandigheden de mogelijkheid tot herstel heeft geboden door TEPP voor het sluiten van de inschrijving alsnog een eigen UEA te laten indienen, acht de voorzieningenrechter niet onaanvaardbaar. Het was aan het RVB die keuze te maken. Dat klemt te meer nu in de aanbestedingsleidraad geen verplichte sanctie is gesteld op een dergelijke fout bij het verstrekken van een UEA. De voorzieningenrechter heeft ter zitting daarom ook geoordeeld dat de Combinatie kan worden toegelaten als tussenkomende partij. Het belang daarbij is evident nu de Combinatie als hoogste in de rangorde van de aanbesteding is geëindigd en NTB in dit kort geding tracht te voorkomen dat de opdracht aan de Combinatie wordt gegund.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
Beoordeeld moet worden of de gunningsbeslissing van 7 februari 2025 waarin de Opdracht Tijdelijk beheer van het Marineterrein Amsterdam aan de Combinatie is gegund, moet worden ingetrokken. NTB meent van wel en heeft daarbij allereerst aangevoerd dat de aanbesteding fundamenteel gebrekkig is. Zij heeft daartoe gesteld dat de beoordelingsmethodiek niet leidt tot de beste prijs-kwaliteitverhouding, wat moet leiden tot heraanbesteding. De voorzieningenrechter volgt NTB hierin niet. Daarvoor is het volgende van belang. In de kern is het bezwaar van NTB dat selectie die mede op basis van de tarieven van het kernteam plaatsvindt nooit tot identificatie van de economisch meest voordelige inschrijving (bkpv) kan leiden. Zij stelt daartoe dat uitgaande van een vast personeelsbudget van € 1.140.000,- de kosten voor het kernteam en de kosten voor de overige teamleden communicerende vaten zijn; wat bij het kernteam door middel van een concurrerende prijs wordt “bespaard”, komt er automatisch als extra budget voor de overige personeelsleden weer bij. Daardoor is per saldo in alle gevallen een personeelsbudget van € 1.140.000,- beschikbaar. Er vindt dus geen werkelijke concurrentie plaats op prijs en deze aanpak leidt tot strategisch bieden, aldus nog steeds NTB.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de Werkomschrijving volgt dat uitsluitend de budgetten voor het jaar 2025 al definitief zijn vastgesteld en dat de opdrachtnemer voor de komende jaren telkens een begroting moet indienen bij het RVS en daarbij ook kenbaar moet maken hoeveel personeelsbudget (inclusief de kosten voor het kernteam) voor dat jaar nodig wordt geacht. Die begroting zal dus de vaste kosten voor het kernteam moeten bevatten, maar zal voor het overige personeel kunnen fluctueren en onderhevig zijn aan goedkeuring van het RVB. Weliswaar valt NTB toe te geven dat het totale budget over 2025 reeds is vastgesteld zodat in 2025 in beginsel geen prijsvoordeel meer via deze aanbesteding te behalen valt voor het RVB, maar dat is niet onbegrijpelijk, nu de begroting voorafgaand aan een jaar wordt gemaakt. Dat enkele feit maakt de aanbesteding niet al gebrekkig.
5.3.
Voor wat betreft de jaren 2026 en verder geldt immers dat, anders dan NTB heeft aangevoerd, wél sprake is van concurrentie op prijs. NTB lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat het budget van € 1.140.000,- aan personeelskosten ook voor die jaren een gegeven is. Dat berust echter op een onjuiste uitleg van de aanbestedingsstukken. Het RVB heeft in dat kader met juistheid gewezen op artikel 3.1 van de Dienstverleningsovereenkomst waarin staat vermeld: “
Opdrachtgever [bedoeld is: Opdrachtnemer] voert de Diensten uit met een budget van maximaal € 1.660.000,- per kalenderjaar exclusief BTW. Dit budget bestaat uit de jaarlijkse omzet van de huurinkomsten. Met dit budget worden onder andere personeelskosten bekostigd zoals omschreven in de Werkomschrijving. De prijs wordt jaarlijks vastgesteld in het jaarplan zoals beschreven in de Werkomschrijving.”In de Werkomschrijving is bepaald dat de Opdrachtnemer voor onder meer het budget Personeelskosten telkens een
voorstel in de begroting(onderstreping vzr) doet. Verder volgt uit paragraaf 4.2.1.2 van de Aanbestedingsleidraad (Prijzenblad “Uurtarieven’) dat de “
overige personeelskosten” tijdens het opstellen van het jaarplan aan het Rijksvastgoedbedrijf
dienen te worden voorgelegd. Het gegeven dat in de Dienstverleningsovereenkomst is opgenomen dat het budget
maximaal€ 1.660.000,- bedraagt, en het gegeven dat uit de werkomschrijving en het prijzenblad Uurtarieven volgt dat er een begrotingsvoorstel gedaan moet worden, maakt dat het voor een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver duidelijk had moeten zijn dat een opdrachtnemer niet automatisch elk jaar het gehele personeelsbudget van € 1.140.000,- zal ontvangen. Slechts het budget voor het kernteam zoals voortvloeiend uit de opdracht is een vast gegeven, terwijl voor het overige personeel in de begroting een bedrag dient te worden opgenomen met nadere onderbouwing, waarna die begroting zal worden beoordeeld, en zo nodig zal moeten worden aangepast alvorens te worden geaccordeerd door het RVB.
5.4.
Het RVB heeft er verder met juistheid op gewezen dat bij het subgunningscriterium kwaliteit Beheer (paragraaf 3.4 van Aanbestedingsleidraad) van de inschrijvers ook is gevraagd om aan te geven met welke projectorganisatie zij de opdracht willen inzetten. Daarin is gevraagd om ook in te gaan op aantallen fte’s/functies en op de vraag hoe een efficiënte en slagvaardige projectorganisatie samen te stellen. In zoverre heeft het RVB terecht aangevoerd dat ook aan de voorkant, bij toetsing van het kwaliteitscriterium, wordt nagegaan of niet (overmatig) veel overig personeel in de projectorganisatie zal worden aangesteld. Het is vervolgens aan het RVB om bij de uitvoering van de opdracht te (blijven) controleren of het kernteam zijn eigen werkzaamheden zelf blijft verrichten en niet (delen van) die eigen werkzaamheden onderhands doorschuift naar de overige personeelsleden, in een poging op die wijze een verhoging van het budget van het overige personeel te rechtvaardigen, onder vermindering van de eigen werklast. Dat een adequate controle noodzakelijk is betekent echter niet dat daarom geconcludeerd moet worden dat de beoordelingsmethodiek op zich niet deugt en/of niet leidt tot de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Uitgangspunt blijft immers dat het kernteam in een vastgesteld aantal uren zijn eigen taak tegen een vast tarief zal moeten verrichten gedurende de hele looptijd van de overeenkomst. Overigens geldt dat het RVB onbetwist heeft aangevoerd dat ook in de afgelopen jaren concept-jaarplannen vooraf zijn besproken en toegelicht door PBMA aan de leden van de Stuurgroep, en dat dit geregeld tot aanscherping of aanpassing van deelposten van het jaarplan heeft geleid. Dat bespreken en zo nodig aanpassen van een begroting is dus ook de methode die beoogd is bij de post overig personeel in de komende jaren.
5.5.
De conclusie is dat van een fundamenteel gebrek in de aanbesteding op voormeld punt geen sprake is. Daarom kan verder in het midden blijven of NTB eerder had moeten klagen.
5.6.
Voor zover NTB beoogt te stellen dat de Combinatie alsnog moet worden uitgesloten omdat sprake is van een abnormaal lage aanbieding gaat de voorzieningenrechter ook daaraan voorbij. Dat de Combinatie heeft ingeschreven met een zeer concurrerende inschrijvingssom staat vast. Dat is door het RVB niet alleen direct na het openen van de inschrijvingen gesignaleerd, maar vervolgens ook door het RVB al vóór de voorlopige gunning met de Combinatie besproken in een gesprek op 10 februari 2025. Daarbij is gebleken dat de Combinatie de opdracht bijzonder graag wil hebben omdat die als een zogenaamde trophy asset wordt beschouwd. De combinanten waren daarom beiden bereid een zeer concurrerende inschrijvingssom te hanteren, waarbij door hen is toegelicht dat de opdracht voor hen nog wel kostendekkend is. Dat de aldus verkregen informatie evident onjuist is en/of de controle van het RVB in dit verband niet voldoende of inadequaat is geweest, is niet gebleken. Het enkele feit dat het kernteam van NTB, althans de huidige kernpersonen van PBMA, substantieel hogere tarieven vragen en vroegen is daarvoor onvoldoende. In dat kader is nog relevant dat de combinanten te kennen hebben gegeven, anders dan sommige andere inschrijvers, weinig overheadkosten te hebben, wat een gunstige invloed heeft op hun tarieven. Daarnaast willen zij genoegen nemen met lage(re) marges, in de hoop op toekomstige opdrachten die mogelijk kunnen voortvloeien uit het vervullen van deze opdracht. Dat alles leidt tot de conclusie dat naar oordeel van de voorzieningenrechter niet is gebleken van strategisch bieden zonder reële economische onderbouwing. Onder die omstandigheden rust op het RVB ook geen verdere onderzoeksplicht.
5.7.
NTB heeft tot slot nog aangevoerd dat de procedure fundamenteel gebrekkig is omdat de opdracht (te) onbepaald zou zijn. Zij heeft toegelicht dat de inschrijvers op de aanbesteding volgens haar niet volledig zijn geïnformeerd over de omvang en reikwijdte van de opdracht, en ook niet ten aanzien van aansprakelijkheidsrisico’s die op (mogelijke) opdrachtnemers zouden komen te rusten. De voorzieningenrechter volgt NTB ook daarin niet. Allereerst is daarbij relevant dat NTB zelf vooraf geen nadere vragen gesteld. Dat viel ook niet te verwachten nu zij (wegens haar verbinding met PBMA) al voor haar inschrijving via PBMA over veel informatie kon beschikken. Voor zover NTB meent dat andere inschrijvers zijn gedupeerd omdat het RVB heeft verzuimd cruciale informatie aan hen ter beschikking te stellen waarbij dus bij inschrijving geen rekening kon worden gehouden, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. Daargelaten dat NTB zelf kennelijk voldoende informatie had is niet gebleken dat een of meer van de andere inschrijvers van mening zijn dat zij onvoldoende zicht hebben gekregen op de aard en inhoud van de opdracht. Daarbij wordt opgemerkt dat aan potentiële inschrijvers de mogelijkheid is geboden tot een schouw van het complex met gelegenheid tot het stellen van vragen. Van een aanbestedende dienst kan onder die omstandigheden niet verwacht worden dat tot in detail alle werkzaamheden worden beschreven die komen kijken bij het coördineren van het dagelijks beheer van het Marineterrein. In het document ‘Rolomschrijving kernteam’ (onderdeel van de aanbestedingsstukken) is overigens in het algemeen toegelicht welke uiteenlopende werkzaamheden te verwachten zijn als het gaat om bijvoorbeeld contacten met huurders en de verantwoordelijkheid voor de vastgoedexploitatie van de gebouwen en het terrein. Verder geldt dat de aanwijzing van water bij het Marineterrein als zwemlocatie, en verplichtingen met bijvoorbeeld de Sail-organisatie, niet van dien aard zijn dat die de opdracht totaal anders maken. Overigens valt aan te nemen dat het belangstellende partijen niet zal zijn ontgaan dat Sail weer aanstaande is, en dat dat in het kader van de opdracht de nodige werkzaamheden met zich zal brengen. Datzelfde geldt voor de stelling van NTB dat niet expliciet is gemaakt dat de slagboom moet worden bediend. Bij de schouw moet immers duidelijk zijn geworden dat er een slagboom is die bediening behoeft. Indien dat tot vragen zou leiden had het voor de hand gelegen die tijdig te stellen, waarvoor immers gelegenheid was. Voor de volledigheid wordt nog aangetekend dat de combinanten te kennen hebben gegeven dat zij gelet op hun ervaring en achtergrond en na bestudering van de aanbestedingsstukken heel wel in staat waren om zich een volledig beeld van de opdracht te vormen en de daarmee verbonden risico’s. Dat het RVB partijen onvoldoende heeft geïnformeerd over aansprakelijkheden van de projectorganisatie, en dat op dit punt tegenstrijdige informatie is verstrekt, heeft NTB verder onvoldoende toegelicht, zodat daarvan bij deze stand van zaken niet kan worden uitgegaan, nog los van het feit dat het maar zeer de vraag is of dat in voorkomend geval zou moeten worden gekwalificeerd als een gebrek dat tot heraanbesteding zou moeten leiden. De primaire vordering van NTB komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
5.8.
Ook de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van NTB zullen worden afgewezen. NTB heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat de door [naam 1] (begrepen moet worden de Combinatie) geoffreerde uurtarieven voor het kernteam kort weergegeven te laag en daarmee niet realistisch zijn. Deze stelling is hierboven al besproken en verworpen.
5.9.
Nu de vorderingen van NTB zullen worden afgewezen zullen ook de vorderingen van de Combinatie bij gebrek aan belang worden afgewezen. De Combinatie zal worden veroordeeld in de kosten van het RVB, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat het RVB als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet NTB in haar verhouding tot de Combinatie worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van de Combinatie was immers te voorkomen dat de opdracht aan NTB zou worden gegund, welk doel is bereikt. NTB zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Combinatie. Voorts zal NTB, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het RVB.
.
De proceskosten van zowel de Combinatie als het RVB worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,00
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt NTB in de proceskosten van zowel het RVB als de Combinatie van ieder € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als NTB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet NTB € 92,00 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt NTB in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra- van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
ddg