ECLI:NL:RBDHA:2025:14095
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WW-dagloon gebaseerd op verdiend SV-loon in referteperiode bevestigd
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van zijn WW-dagloon door het UWV, stellende dat zijn dagloon te laag is vastgesteld en niet aansluit bij zijn bewezen verdiencapaciteit als zelfstandig ondernemer en voormalig vice-president van een multinational.
De rechtbank overweegt dat het WW-dagloon wordt berekend op basis van het verdiende sociale verzekeringsloon (SV-loon) in de referteperiode van 12 maanden voorafgaand aan de werkloosheid, en dat zelfstandigen en DGA's zijn uitgezonderd van de WW-verzekering. De door eiser overgelegde loonstroken uit 2001 en 2007 vallen buiten de referteperiode en kunnen niet worden betrokken bij de dagloonvaststelling. Ook facturen van zijn besloten vennootschap kunnen niet als loon worden aangemerkt.
Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen omdat het Dagloonbesluit dwingendrechtelijk is en het UWV geen ruimte heeft om hiervan af te wijken. De rechtbank acht de vaststelling van het dagloon niet onredelijk bezwarend en bevestigt het bestreden besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het WW-dagloon wordt ongegrond verklaard.