ECLI:NL:RBDHA:2025:1415

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
NL24.25562 en NL24.25564
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8 EVRMArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning regulier wegens verbroken relatie

Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als partner van een Nederlandse referent, kreeg zijn vergunning ingetrokken omdat de relatie op 5 juli 2023 was verbroken. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk omdat eiser de bezwaargronden niet tijdig had aangeleverd.

Eiser stelde dat hij onredelijk werd behandeld doordat hem geen uitstel werd verleend om bezwaargronden aan te vullen en dat hij onvoldoende gelegenheid had om zijn bezwaar voor te bereiden, mede vanwege artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat eiser niet binnen de gestelde termijn zijn gronden had ingediend en de latere beroepsgronden te laat en strijdig met de goede procesorde waren aangevoerd.

De rechtbank overwoog dat een bezwaarschrift een concrete bezwaargrond moet bevatten en dat een enkel beroep op artikel 8 EVRM Pro onvoldoende is zonder nadere concretisering. Ook het beroep dat eiser niet het volledige dossier had ontvangen werd te laat ingebracht. De belangenafweging van verweerder was niet aan de orde bij de niet-ontvankelijkheidsverklaring. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard aangezien de hoofdzaak was beslist.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter M.D. Gunster.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.25562 en NL24.25564
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Houben).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [referente] ’ en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser met het besluit van 21 maart 2024 ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 5 juli 2023. Met het bestreden besluit van 26 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Parvez als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser is sinds 27 februari 2018 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner, mevrouw [referente] ’ (hierna: referente).
4. Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken, omdat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze is verleend. Uit het meldingsformulier van referente is namelijk gebleken dat de gezinsband op 5 juli 2023 is verbroken. Daarnaast is het besluit niet in strijd met eisers privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Verweerder heeft de belangen van eiser afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse Staat. Deze belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen.
5. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser de gronden van bezwaar niet heeft toegestuurd. De redenen voor het verlenen van uitstel van het indienen van de nadere gronden staan in hoofdstuk B1/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Niet is gebleken dat een van die gronden aan de orde is. Daarnaast is niet gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Verweerder heeft onredelijk hard gehandeld door eiser geen uitstel te verlenen om de bezwaargronden aan te vullen. Eiser heeft hierdoor niet de ruimte en mogelijkheid gekregen om zijn bezwaar voor te bereiden en van referente een verklaring over de relatie van referente te vragen. Referente en eiser zijn namelijk ondanks de ruzie nog altijd samen en gehuwd. Verder heeft verweerder de belangen van eiser niet voldoende in acht genomen. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het EVRM en dient dus de ruimte en mogelijkheid te krijgen om zijn bezwaar voor te bereiden. Ook had verweerder eiser hierover moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze situatie het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
8. Eiser heeft op 29 maart 2024 een bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden ingediend. Het bezwaarschrift voldeed daarmee op dat moment niet aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft bij brief van 22 april 2024 eiser in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen door binnen twee weken de gronden op te sturen. Daarbij heeft hij meegedeeld dat het bezwaar anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Bij brief van 23 april 2024 heeft eiser om twee weken uitstel verzocht. Hoewel de staatssecretaris niet op dit verzoek om uitstel heeft gereageerd, heeft eiser de bezwaargronden tot op heden niet ingediend. Ondertussen heeft verweerder op 26 mei 2024 het besluit tot niet-ontvankelijkheid genomen. Daargelaten of verweerder aanleiding had moeten zien om uitstel te verlenen, heeft verweerder het besluit tot niet-ontvankelijkheid ruimschoots na het door eiser verzochte uitstel genomen.
9. Eiser voert voor het eerst op zitting aan dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij wel degelijk gronden van bezwaar heeft ingediend in het bezwaarschrift van 29 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond te laat en in strijd met de goede procesorde is aangevoerd. Verweerder heeft zich niet kunnen voorbereiden op deze beroepsgrond en niet duidelijk is geworden waarom eiser dit niet eerder had kunnen aanvoeren. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.
9.1.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een bezwaarschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond moet bevatten. [2] Een enkel beroep op de schending van artikel 8 van Pro het EVRM is daarvoor onvoldoende concreet. Eiser heeft nagelaten dit standpunt nader feitelijk te concretiseren.
10. Ook voert eiser voor het eerst op zitting aan dat hij niet het gehele dossier heeft ontvangen en dus geen bezwaargronden kon indienen. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond te laat en in strijd met de goede procesorde is aangevoerd. Verweerder heeft zich niet kunnen voorbereiden op deze beroepsgrond en niet duidelijk is geworden waarom eiser dit niet eerder had kunnen aanvoeren. De rechtbank zal ook deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen. Ten overvloede wijst de rechtbank op de brief van 22 april 2024, waarin verweerder heeft aangegeven dat eiser een kopie van het dossier ontvangt.
11. Zoals de hoogste bestuursrecht [3] heeft overwogen dient verweerder bij zijn besluit om op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren geen belangen te betrekken die verband houden met de inhoud van de zaak. Het beroep van eiser op artikel 8 van Pro het EVRM kan daarom niet slagen.
12. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Overeenkomstig artikel 7:3 aanhef Pro en onder a, van de Awb kan verweerder van horen afzien indien de bezwaargronden ontbreken.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] .
15. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7463.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2661.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.