ECLI:NL:RBDHA:2025:1415
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning regulier wegens verbroken relatie
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als partner van een Nederlandse referent, kreeg zijn vergunning ingetrokken omdat de relatie op 5 juli 2023 was verbroken. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk omdat eiser de bezwaargronden niet tijdig had aangeleverd.
Eiser stelde dat hij onredelijk werd behandeld doordat hem geen uitstel werd verleend om bezwaargronden aan te vullen en dat hij onvoldoende gelegenheid had om zijn bezwaar voor te bereiden, mede vanwege artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat eiser niet binnen de gestelde termijn zijn gronden had ingediend en de latere beroepsgronden te laat en strijdig met de goede procesorde waren aangevoerd.
De rechtbank overwoog dat een bezwaarschrift een concrete bezwaargrond moet bevatten en dat een enkel beroep op artikel 8 EVRM Pro onvoldoende is zonder nadere concretisering. Ook het beroep dat eiser niet het volledige dossier had ontvangen werd te laat ingebracht. De belangenafweging van verweerder was niet aan de orde bij de niet-ontvankelijkheidsverklaring. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard aangezien de hoofdzaak was beslist.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter M.D. Gunster.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.