ECLI:NL:RBDHA:2025:14167

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.8636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister na intrekking beroep wegens alsnog genomen besluit

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag bij de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had eerder bepaald dat de minister uiterlijk op 21 februari 2025 een besluit moest nemen, met een dwangsom voor overschrijding.

Verzoeker trok zijn opvolgend beroep in nadat de minister alsnog een besluit had genomen. De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de proceskosten. De minister verzette zich hiertegen.

De rechtbank oordeelde dat de minister aan verzoeker was tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen binnen de dwangsomtermijn. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak is een opvolgend beroep in zo’n situatie ontvankelijk. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legde een vergoeding van €453,50 op, passend bij de beperkte procedure.

Uitkomst: Minister wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8636

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Bij uitspraak van 3 december 2024 (NL24.39380) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het (eerste) beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van verzoeker gegrond verklaard en daarbij bepaald dat de minister uiterlijk op 21 februari 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend dient te maken. Daarbij is eveneens een dwangsom opgelegd van € 100,- voor elke dag dat de minister deze beslistermijn zou overschrijden, met een maximum van € 7.500,-.
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn (opvolgende) beroep tegen het volgens hem niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen.
2.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld zich te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
2.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
5. De rechtbank zal dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Met het alsnog nemen van een besluit is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen. Dat is echter niet voldoende voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen door tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker van 24 april 2023. De minister stelt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk zou zijn indien het niet was ingetrokken is, nu de rechterlijke dwangsom verbonden aan de uitspraak van 3 december 2024 nog niet volledig verbeurd was ten tijde van het indienen daarvan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 27 november 2024 [3] bepaald dat bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen nog steeds procesbelang bestaat, als op het moment van het indienen van het opvolgende beroep de rechterlijke dwangsommen van het voorgaande beroep nog niet volledig waren volgelopen. Dit betekent dat een opvolgend beroep, ingediend op het moment dat de rechterlijke dwangsom uit het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen, toch ontvankelijk is. Op het moment dat het opvolgende beroep is ingediend, op 24 februari 2025, is de rechterlijke dwangsomperiode dus nog niet verstreken. Gelet hierop zou het beroep, indien dit niet was ingetrokken, anders dan de minister betoogt, in onderhavige zaak ontvankelijk zijn geweest. De rechtbank ziet in verband hiermee grondslag voor het toewijzen van een vergoeding van de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoeker vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten.
6.1.
De hoogte van de proceskostenveroordeling stelt de rechtbank vast op € 453,50, omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).