ECLI:NL:RBDHA:2025:14350
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en ontbreken reëel risico bij terugkeer
Eiser, een Oezbeekse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, nadat hij in Oezbekistan betrokken raakte bij een conflict met de familie van een jongen die zijn nichtje misleidde. Hij stelde ook discriminatie te hebben ervaren. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege ongeloofwaardigheid van de motieven en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over het conflict met de familie van de jongen tegenstrijdig en vaag waren, en dat hij zijn asielaanvraag niet tijdig had ingediend, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet. De stelling van eiser dat hij niet was geconfronteerd met tegenstrijdigheden tijdens het nader gehoor werd verworpen.
Verder faalde eiser in het aannemelijk maken van een actueel risico bij terugkeer naar Oezbekistan, mede door het ontbreken van recente landeninformatie. Ook het bezwaar tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard, omdat eiser geen concrete persoonlijke omstandigheden had gesteld die tot uitzondering konden leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.