Op 2 februari 2020 vond in Waddinxveen een brandstichting plaats waarbij een bestelauto in vlammen opging. Verdachte werd ervan verdacht deze brand te hebben (mede)gepleegd. Uit onderzoek bleek dat zijn telefoon in de nabijheid van de brand was, en er waren filmpjes waarop hij te zien was, maar dit was onvoldoende om schuld vast te stellen. De rechtbank sprak hem vrij van deze tenlastelegging.
Op 15 november 2024 werd verdachte als bijrijder in een auto in Gouda aangehouden. In het voertuig werden vier flessen lachgas aangetroffen, waarvan twee net gebruikt leken te zijn. De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van deze flessen en verklaarde hem hiervoor schuldig aan het medeplegen van het aanwezig hebben van lachgas, een middel op lijst II van de Opiumwet.
De officier van justitie eiste een taakstraf van tachtig uur, maar rekening houdend met eerdere soortgelijke veroordelingen en het reclasseringsadvies, legde de rechtbank een taakstraf van veertig uur op. De benadeelde partij in de brandstichtingszaak werd niet-ontvankelijk verklaard in een schadevordering omdat deze geen betrekking had op het bewezen verklaarde feit. De rechtbank bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.