ECLI:NL:RBDHA:2025:1439

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
09/807158-20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs brandstichting bestelbus in Waddinxveen

Op 15 februari 2020 vond een brandstichting plaats waarbij een bestelbus in Waddinxveen geheel of gedeeltelijk uitbrandde. Verdachte werd kort na de brand nabij de plaats delict staande gehouden. Hij verklaarde onderweg naar huis te zijn en weigerde toestemming voor contact met zijn vriendin ter verificatie. Tijdens de staandehouding werden aanstekers en een wond aan zijn hand geconstateerd. Camerabeelden toonden een persoon rennend vanaf de brandlocatie, mogelijk verdachte, maar de beelden waren niet overtuigend genoeg.

De officier van justitie en de verdediging vorderden beiden vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat hoewel de omstandigheden verdacht waren, het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de brandstichting had gepleegd. Tevens werden de vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding afgewezen wegens gebrek aan betrekking op het ten laste gelegde feit.

De rechtbank sprak verdachte vrij, hief het bevel tot voorlopige hechtenis op en bepaalde dat zowel verdachte als benadeelde partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van brandstichting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/807158-20
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 juli 2020 (pro forma), 22 januari 2025 (inhoudelijke behandeling) en 23 januari 2025 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kooij en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Boumanjal naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 februari 2020 te Waddinxveen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelbus (merk Peugeot, kenteken [kenteken] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor andere in de buurt staande auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De brand
Op 15 februari 2020 omstreeks 4:19 uur is er melding gedaan van een autobrand op de Genestetlaan te Waddinxveen. Aansluitend hierop heeft [aangever] (hierna: aangever), nadat hij had geconstateerd dat zijn auto was afgebrand, aangifte gedaan van brandstichting van zijn bestelbus (een Peugeot Boxer met kenteken [kenteken] ). De aangever heeft verklaard dat de bestelbus vanaf 14 februari 2020 omstreeks 16:30 uur op de Genestetlaan in Waddinxveen geparkeerd stond en heeft foto’s van de afgebrande bestelbus bij zijn aangifte gevoegd.
De brandstichting
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte is omstreeks 4:20 uur – kort na de melding van de autobrand – door verbalisanten nabij de locatie van de autobrand staande gehouden. Omtrent zijn aanwezigheid heeft de verdachte tegen de politie verklaard dat hij door zijn vriendin was afgezet en dat hij onderweg naar huis aan het lopen was. De verdachte gaf de politie geen toestemming om ter verificatie van deze verklaring met zijn vriendin te bellen. Verder hebben de verbalisanten tijdens de staandehouding waargenomen dat de verdachte een open wond aan zijn linkerhand had en dat hij vier aanstekers op zak had. Hierover verklaarde de verdachte dat de verwonding een oude wond betrof en dat het tijdens het blowen met een ander voor kan komen dat de aansteker van een ander in zijn zak belandt. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting aanvullend verklaard dat hij op aanzienlijke afstand van zijn woning was afgezet, omdat hij de wandeling naar huis wilde benutten om te blowen en dat hij destijds een oude verwonding op zijn linkerhand had die op het moment van staandehouding wederom bloedde.
Daarnaast heeft een verbalisant geverbaliseerd dat op camerabeelden – rondom het tijdstip en nabij de locatie van de autobrand – is te zien dat een persoon rennend vanuit de locatie van de autobrand komt en daarna lopend verder gaat. Deze camerabeelden zijn door de verbalisant vergeleken met camerabeelden van 20 maart 2020 bij een Esso-tankstation aan de Dreef in Waddinxveen. De camerabeelden van het tankstation sluiten qua locatie en tijdstip aan op een tankbon die in de auto van de verdachte is aangetroffen. Volgens een verbalisant is op beide camerabeelden dezelfde persoon te zien, namelijk de verdachte. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij, vanwege de slechte kwaliteit van de camerabeelden van het Esso-station en het aanzienlijke tijdsverloop sinds de opnames, niet met zekerheid kan vaststellen of hij de persoon op de camerabeelden is.
De rechtbank overweegt dat, hoewel de bovenvermelde feiten en omstandigheden vraagtekens oproepen en indiceren dat de verdachte bij de brandstichting betrokken zou kunnen zijn geweest, deze onvoldoende grond bieden om met zekerheid vast te stellen dat de verdachte ook daadwerkelijk degene is geweest die de brand heeft gesticht. De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

4.De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich in het strafproces gevoegd:
- [naam 1] , met een schadevergoeding van € 3.354,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade;
- [naam 2] , met een schadevergoeding van € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade;
- [naam 3] , met een schadevergoeding van € 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade;
- [naam 4] , met een schadevergoeding van € 7.629,14, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen van de benadeelde partijen hebben geen betrekking op het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] ,
[naam 3] en [naam 4] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu en mr. J.A. Keuter, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2025.