Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het beroep is daarom gegrond verklaard.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, met de mogelijkheid tot een verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €453,50, en tot vergoeding van het griffierecht van €194. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M. Pattynama op 6 juni 2025.