Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1977 en heeft de Turkse nationaliteit.
2. Op 16 oktober 1998 is eiser naar Nederland gekomen. Ondanks diverse aanvragen is eiser in Nederland nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. In het besluit van 9 juli 2007 is een asielaanvraag van eiser afgewezen en is eiser ongewenst verklaard. De reden hiervoor is dat op eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdragvan toepassing is geacht. Hierin staat dat iemand kan worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus als diegene in verband kan worden gebracht met ernstige misdrijven. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 17 september 2007is eisers beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is het besluit van 9 juli 2007 in rechte vast komen te staan. In mei 2011 is eiser teruggekeerd naar Turkije.
3. Op 31 augustus 2022 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan. In het besluit van 9 september 2022 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser heeft nagelaten te reageren op verzoeken om informatie die van wezenlijk belang is voor de aanvraag. Eiser heeft weliswaar bij de zienswijze zijn opvolgende aanvraag aangevuld met Turkse documenten, maar heeft nagelaten vertalingen hiervan bij te voegen. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 5 oktober 2022is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. Op 6 oktober 2022 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Omdat gebleken is dat eiser op 24 juni 2022 illegaal het grondgebied van de Europese Unie is ingereisd via Italië, heeft verweerder aan de autoriteiten van Italië gevraagd om de behandeling van eisers asielaanvraag over te nemen. Zij hebben hiermee ingestemd, maar eiser kon niet tijdig worden overgedragen. Vervolgens heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog inhoudelijk behandeld.
5. In het bestreden besluit heeft verweerder deze opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaardvanwege het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij in 2011 is teruggegaan naar Turkije, dat hij daar vervolgens gedurende twee jaar is gedetineerd en dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, maar dit is geen aanleiding om de eerdere 1(F)-tegenwerping te heroverwegen. Aangenomen wordt dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.Daarom is aan eiser geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Omdat eiser nog geen tien jaar in Nederland verblijft sinds hij uit Turkije is teruggekomen, kan hij geen (reguliere) verblijfsvergunning ontlenen aan het beleid ‘duurzaamheid en proportionaliteit’.Wel heeft verweerder eisers ongewenstverklaring laten vervallen. Ook heeft verweerder eiser voor de duur van tien jaren gesignaleerd in de systemen E&Sen SISomdat hij een gevaar is voor de openbare orde.
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens hem heeft verweerder niet onderkend dat hij geen keus had dan weer naar Nederland te vluchten nadat hij in Turkije werd gedetineerd en in een politiek en oneerlijk proces tot een gevangenisstraf werd veroordeeld. Dit volgt uit de door hem overgelegde stukken inclusief vertalingen, en uit het ambtsbericht.Daarnaast onderbouwt verweerder volgens eiser niet waarom hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Sinds hij in Nederland is, heeft hij geen strafbare feiten gepleegd, is hij niet politiek actief en heeft hij niet gezorgd voor maatschappelijke onrust. Daarnaast zou er doorslaggevend belang moeten toekomen aan het lange tijdsverloop sinds de 1(F)-feiten. Er is sprake van een duurzaam verzet tegen uitzetting naar Turkije op grond van artikel 3 van het EVRM en daarom is het onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel. Ten slotte is de signalering in E&S en SIS onterecht vanwege het AA-arrest.
7. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Eisers asielaanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Omdat eiser niet tien jaar aaneengesloten in Nederland heeft verbleven, kan hij geen aanspraak maken op een verblijfsvergunning op grond van het beleid ‘duurzaamheid en proportionaliteit’. Eiser vormt nog steeds een gevaar voor de openbare orde. Het tijdsverloop doet hier niet aan af vanwege de ernst van de 1(F)-feiten. Bovendien is niet alleen het recidivegevaar van belang, maar ook de bescherming van zaken als de rechtsorde, het publieke vertrouwen in het beleid en de internationale betrekkingen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
8. Zoals ter zitting namens eiser is bevestigd, zien de beroepsgronden niet op het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag. Het is daarmee niet in geschil dat eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om desondanks in te gaan op de vraag of eiser door uitzetting naar Turkije in een onmenselijke situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM (refoulement) terecht zou komen, aangezien niet in geschil is dat hiervan sprake is en aan eiser geen terugkeerverplichting is opgelegd.
9. Het systeem E&S is een informatiesysteem van de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee. Het systeem SIS is raadpleegbaar door alle grenswachten en politiecorpsen van de Schengenlanden. Het signaleren van een vreemdeling in deze systemen heeft als doel dat die vreemdeling de toegang tot het grondgebied kan worden ontzegd.
10. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de SIS-verordeningkan een vreemdeling in het SIS worden gesignaleerd als hij een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid. Volgens het beleid van verweerder in onderdeel A2/12.6 van de Vcwordt een vreemdeling in dergelijke gevallen ook gesignaleerd in E&S.
11. Aangezien de signalering van eiser, voor zover het de signalering in SIS betreft, is gebaseerd op een verordening van de Europese Unie, moet voldaan zijn aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium. Dit houdt in dat iemand een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet zijn. Specifiek ten aanzien van vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, is dit criterium nader uitgelegd in het K. en H.F.-arrest.Daarin is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een dergelijk persoon niet automatisch voldoende is om aan te nemen dat aan het criterium is voldaan. Het bestaan van een bedreiging moet worden vastgesteld op basis van het persoonlijke gedrag van de betrokkene, zoals dat in de eerste plaats blijkt uit het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Daarbij komt onder meer gewicht toe aan de aard en de ernst van de gedragingen die aan de betrokkene worden verweten, de mate waarin hij daar persoonlijk bij betrokken was en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. In de tweede plaats is hiervoor van belang hoeveel tijd is verstreken sinds het plegen van de misdrijven, hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen en of hij daarmee blijk geeft van een houding die fundamentele waarden zoals de menselijke waardigheid en de mensenrechten aantast.
12. Uit het besluit van 9 juli 2007 volgt dat eiser in de periode 1992-1996 actief was bij de verzetsbeweging van het revolutionair volksbevrijdingsleger, die destijds een gewapende politieke strijd leverde tegen de Turkse staat. Deze beweging is in Turkije en in de Europese Unie geclassificeerd als een terroristische organisatie. Aanvankelijk was eiser betrokken bij de plaatsing van artikelen in, en de distributie van, het tijdschrift van de beweging. Vervolgens kreeg eiser een functie waarbij hij jongeren de doelstelling van de beweging bij moest brengen. Uit de stukken die eiser zelf tijdens zijn asielprocedure heeft overgelegd, blijkt dat hij betrokken is geweest bij enkele gewapende overvallen en brandstichtingen.
13. Desondanks heeft eiser tijdens zijn nader gehoor van 1 november 2024 ontkend dat hij lid is geweest van deze beweging en heeft hij gesteld dat hij bij terugkomst in Turkije problemen heeft ondervonden vanwege het enkele feit dat hij links is. Ook heeft eiser ontkend dat hij betrokken is geweest bij gewapende overvallen en brandstichtingen. Hieruit heeft verweerder terecht afgeleid dat eiser nog steeds blijk geeft van een houding die de fundamentele waarden aantast. Hiervoor is niet vereist dat eiser strafbare feiten pleegt of zorgt voor maatschappelijke onrust. Hoewel er sprake is van een betrekkelijk groot tijdsverloop, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op deze houding dit tijdsverloop sterk aan betekenis inboet.
14. Anders dan eiser aanvoert, volgt uit het AA-arrest niet dat hij niet zou mogen worden gesignaleerd. In dit arrest is geoordeeld dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd aan iemand die in zijn land van herkomst voor onbepaalde tijd een risico loopt op refoulement. In het bestreden besluit is aan eiser geen terugkeerverplichting opgelegd. Als eiser zich zou begeven naar een lidstaat die kennis kan nemen van de signaleringen, dan zou die lidstaat bij een eventuele poging om eiser uit te zetten altijd moeten toetsen aan het verbod op refoulement. Hierin kan dus ook geen reden worden gevonden voor het oordeel dat eiser niet mag worden gesignaleerd.
Het beleid ‘duurzaamheid en proportionaliteit’
15. Doordat eiser enerzijds geen recht heeft op een verblijfsstatus, en anderzijds niet kan worden uitgezet naar zijn land van herkomst, valt hij, zolang hij zichzelf niet begeeft naar een derde staat waar hij wellicht wel zou kunnen verblijven, tussen wal en schip. Als een dergelijke situatie tien jaar duurt en leidt tot een uitzonderlijk disproportionele persoonlijke situatie, kan onder voorwaarden een reguliere verblijfsvergunning worden verleend.
16. Hoewel verweerder in zijn beleidsregelshierover niet letterlijk heeft opgenomen dat er sprake moet zijn van een onafgebroken verblijf van tien jaar, vloeit dit wel voort uit een logische uitleg van dit beleid. Het beleid is namelijk bedoeld voor het zich langdurig tussen wal en schip bevinden. Verweerder heeft dan ook terecht dit beleid niet op eiser van toepassing geacht, aangezien hij zich sinds augustus 2022 weer in Nederland bevindt. De rechtbank komt dan ook niet toe aan wat eiser heeft aangevoerd over de door hem overgelegde stukken en het ambtsbericht.
17. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.