Eisers, Turkse staatsburgers, vroegen op 30 april 2024 een visum voor kort verblijf aan om hun dochter in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen op 8 mei 2024 af wegens twijfel aan hun terugkeerintentie naar Turkije, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding.
Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde beroep bij de rechtbank Den Haag. Eisers betoogden dat zij hun familie en sociale netwerk in Turkije hebben en verwezen naar het feit dat hun zoon en dochter en schoonouders onder vergelijkbare omstandigheden wel een visum kregen en tijdig terugkeerden, een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvragen op onjuiste gronden had afgewezen en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eisers vergoed.