ECLI:NL:RBDHA:2025:14459

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
AWB 24-18749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 8:72 AwbVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering visum kort verblijf wegens onjuiste toepassing gelijkheidsbeginsel

Eisers, Turkse staatsburgers, vroegen op 30 april 2024 een visum voor kort verblijf aan om hun dochter in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen op 8 mei 2024 af wegens twijfel aan hun terugkeerintentie naar Turkije, gebaseerd op onvoldoende sociale en economische binding.

Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde beroep bij de rechtbank Den Haag. Eisers betoogden dat zij hun familie en sociale netwerk in Turkije hebben en verwezen naar het feit dat hun zoon en dochter en schoonouders onder vergelijkbare omstandigheden wel een visum kregen en tijdig terugkeerden, een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvragen op onjuiste gronden had afgewezen en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eisers vergoed.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/18749

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , eisers

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een visum voor kort verblijf. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvragen op onjuiste gronden zijn afgewezen
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 tot en met 9 staan het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 10 en 11 is het beoordelingskader uiteengezet. De overwegingen van verweerder zijn weergegeven onder 12 en 13 en de beroepsgronden van eisers onder 14 en 15. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 16. Daarbij gaat de rechtbank met name in op het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. Eisers wonen in Turkije en hebben de Turkse nationaliteit. Gemachtigde is de dochter van eisers en woont in [plaats] met haar man [naam 1] en hun dochtertje [naam 2] .
5. Eisers hebben op 30 april 2024 verzocht om de afgifte van visa voor kort verblijf om een bezoek te kunnen brengen aan hun dochter in Nederland. Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 8 mei 2024 afgewezen.
6. Het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 8 mei 2024 is met het bestreden besluit van 14 november 2024 (kennelijk) ongegrond verklaard. Gelet op alles wat in de aanvraag- en bezwaarprocedure is aangevoerd, heeft verweerder het niet nodig gevonden om eisers over hun bezwaar te horen.
7. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij stellen dat zij hun dochter en kleindochter al 6,5 jaar niet meer hebben gezien en dat zij graag naar Nederland willen komen voor een kort verblijf. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en haar echtgenoot en de gemachtigde van verweerder.
9. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen vier weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beoordelingskader
10. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode [1] blijkt dat de minister verplicht is een visum te weigeren indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
De overwegingen van verweerder
11. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op basis van artikel 32, eerste lid, onder b) van de Visumcode, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens verweerder hebben eisers de sociale en economische binding met Turkije onvoldoende aangetoond, dan wel is deze gering gebleken.
12. Over de economische binding met Turkije heeft verweerder aangenomen dat eiser pensioen geniet en dat eiseres financieel wordt onderhouden door eiser, maar dat niet is gebleken dat (tijdige) aanwezigheid in Turkije vereist is om het pensioen te (blijven) ontvangen. Ook het hebben van grond levert volgens verweerder geen zodanige economische binding met het land van herkomst op dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is.
13. Over de sociale binding met Turkije heeft verweerder overwogen dat eisers drie kinderen hebben, waarvan er twee in Turkije wonen en waarvan (ten tijde van het bestreden besluit) nog één minderjarig kind. Ook wordt aangenomen dat eisers nog meer familie hebben in Turkije, en dat er dus enige sociale binding met Turkije bestaat, maar omdat eisers samen naar Nederland willen afreizen, is de sociale band volgens verweerder niet sterk.
De beroepsgronden
14. Eisers hebben aangevoerd dat hun familie al 50 jaar in Istanbul woont en dat zij met hun zoon en dochter in hetzelfde huis wonen. Zij hebben een grote familie en een uitgebreid netwerk van vrienden. Zij hebben een stabiel leven en onderhouden nauwe relaties met mensen die hen goed kennen.
15. Eisers hebben een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben aangevoerd dat hun nog in Turkije wonende zoon en dochter wel een visum voor kort verblijf hebben gekregen voor de periode 3 februari 2025 tot 11 februari 2025. Ter zitting hebben eisers daar nog aan toegevoegd dat de schoonouders van hun dochter/gemachtigde ook een visum voor kort verblijf hebben gekregen voor een periode van 30 dagen (november/december 2024), onder gelijke omstandigheden, en dat zij ook weer op tijd zijn teruggekeerd naar Turkije.
Het oordeel van de rechtbank
16. Dat de ouders van [naam 1] eind 2024 Nederland hebben bezocht met een geldig visum voor kort verblijf, is door verweerder niet bestreden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de visa voor kort verblijf aan de ouders van [naam 1] onder vergelijkbare omstandigheden zijn verleend. De rechtbank neemt aan wat eisers daarover ter zitting hebben verklaard, namelijk dat deze ook een stabiel en sociaal leven in Turkije hebben, dat de vader ook een Turks pensioen geniet en dat voor het (blijvend) kunnen ontvangen van dat pensioen de (blijvende) aanwezigheid in Turkije ook niet noodzakelijk is. Daarbij neemt de rechtbank aan dat eisers al het mogelijke hebben gedaan om te onderbouwen dat er geen sprake is van een migratie-intentie en dat zij tijdig terug zullen keren naar Turkije.
17. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft de aanvragen op onjuiste gronden afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar of over de aanvragen te nemen.
19. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
20. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 november 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.