De rechtbank Den Haag heeft op 1 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, van Algerijnse nationaliteit, bezwaar maakte tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gericht op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit van eiser.
Eiser betwistte de gronden voor bewaring niet, maar stelde dat hij zijn asielprocedure in vrijheid zou moeten kunnen afwachten vanwege zijn seksuele geaardheid en het onveilige karakter van terugkeer naar Algerije. De rechtbank oordeelde dat de enkele stelling van eiser onvoldoende is voor een belangenafweging en dat de gronden voor bewaring zwaar en licht van aard zijn en een risico op onttrekking aan toezicht rechtvaardigen.
De rechtbank constateerde dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit, waardoor een belangenafweging niet noodzakelijk is. Tevens werd ambtshalve getoetst of de bewaring onrechtmatig was, wat niet het geval bleek. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.