Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
2. Eiser stelt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. Hiertoe voert eiser aan dat het document M122 “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000” op 3 oktober 2022 is overhandigd aan eiser. Pas op 8 juli 2025 wordt de eerste uitzettingshandeling uitgevoerd, namelijk een presentatie aan de Algerijnse autoriteiten. De minister had eerder moeten starten met uitzettingshandelingen. Er dient een belangenafweging te worden gemaakt die in het voordeel van eiser uitvalt, vanwege het vrijheidsbenemende aspect. Eiser had helemaal niet in bewaring gesteld te hoeven worden.
3. De rechtbank overweegt het volgende. Ter zitting is gebleken dat eiser op 8 juli 2025 is gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten. De autoriteiten waren bereid om een laissez-passer (lp) af te geven. Maar in een gesprek tussen eiser en de consul heeft eiser gezegd dat hij in cassatie wil gaan tegen het strafvonnis. De consul heeft eiser twee weken de tijd gegeven om in cassatie te gaan en dit aan te tonen aan hen per e-mail. Sinds 8 juli 2025 heeft het uitzettingstraject dus stilgelegen omdat eiser de kans werd geboden om cassatie in te stellen. Deze informatie komt het systeem van DTenV en kan de minister niet in het digitale dossier uploaden. De minister heeft het desbetreffende document ter zitting aan de gemachtigde van eiser en de rechter laten lezen. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij een gesprek met de consul heeft gehad en dat zij hebben gesproken over de mogelijkheid van cassatie. Vervolgens verklaart eiser dat aan hem toen een e-mailadres is gegeven waar hij de stukken met betrekking tot de cassatie naar kon zenden, hierbij gaven ze hem geen termijn. Inmiddels zijn de twee weken voorbij en is de minister voornemens om deze week een vlucht voor eiser aan te vragen.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Bij het vonnis van 24 januari 2023 is eiser veroordeeld onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het gerechtshof Amsterdam heeft eiser op 22 januari 2025 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 34 maanden. Van de minister had niet verwacht hoeven worden dat hij meteen met de uitzettingshandelingen zou beginnen in 2022, gezien de lange periode die eiser in strafrechtelijke detentie zou verblijven. Gelet op hetgeen genoemd in r.o. 3 kan de minister niet worden verweten dat sinds de presentatie op 8 juli 2025 geen uitzettingshandelingen meer zijn verricht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn inspanningsverplichting niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld en gebleken dat de betrokkene geen rechtmatig verblijf had) en had artikel 50, tweede lid van de Vw moeten zijn. De minister heeft dat kennelijk later opgemerkt en vastgesteld. Naar aanleiding hiervan moet er een belangenafweging plaatsvinden die uitvalt in het voordeel van eiser gelet op het vrijheidsontnemende aspect.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Uit het op ambtseed opgemaakte proces- verbaal van bevindingen (HV11) van 15 juli 2025 volgt dat abusievelijk in het dossier van betrokkene is vermeld dat zijn identiteit is vastgesteld en dat dat niet juist is. Verder vermeldt het proces-verbaal dat betrokkene niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een van een kennelijke verschrijving die is gerectificeerd met het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Van een gebrek in de ophouding of een onrechtmatige gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Eiser stelt dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven dat hij een andere advocaat wilde. Vervolgens wordt aan eiser medegedeeld dat zijn voorkeursadvocaat, mr. R.M. Seth Paul, niet te bereiken is. Echter blijkt uit het dossier niet hoe geprobeerd is om mr. R.M. Seth Paul te bereiken. Verder voert eiser aan dat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 20191 de belangenafweging na een opstapeling van gebreken per definitie in het voordeel van eiser moet uitvallen. Er is sprake van gebreken in uitzettingshandelingen, ophouding en recht op rechtsbijstand.
8. De rechtbank overweegt als volgt. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 14 juli 2025 om 19.30 uur wordt aan eiser medegedeeld dat zijn piketadvocaat niet in de gelegenheid is om bij het gehoor te zijn. Er wordt vervolgens aan eiser gevraagd of hij een eigen advocaat heeft. Hierop antwoord eiser:
“A: Seth Paul, als mijn dossier via de piketadvocaat naar hem doorgezet wordt vind ik het prima.
V: Vindt u het goed dat het contact met uw eigen advocaat via de piketadvocaat gaat? A: ja”.
Uit dit citaat volgt dat eiser zelf verklaart dat zijn dossier mag worden doorgezet naar zijn voorkeursadvocaat. Daarbij heeft mr. R.M. Seth Paul tijdig beroep ingediend en heeft hij ter zitting eiser bijgestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een schending op het recht op rechtsbijstand. De beroepsgrond slaagt niet.
9. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister de zware grond onder 3f en de lichte grond onder 4e ter zitting heeft laten vallen.
11. Eiser betwist de zware gronden onder 3c, 3d en 3f en de lichte gronden onder 4c en 4e. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a en 3i feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
12. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Sinds eiser in bewaring zit heeft de minister geen vlucht aangevraagd. Volgens eiser is dat de werkwijze bij de Algerijnse autoriteiten. Hierdoor zal eiser langer in bewaring blijven.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar r.o. 3 en 4 van deze uitspraak. Op 8 juli 2025 is eiser gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten waarbij zijn nationaliteit is bevestigd. Diezelfde dag is eiser twee weken de tijd gegeven om in cassatie te gaan, in deze weken zijn er geen uitzettingshandelingen verricht. Deze termijn is inmiddels verlopen en de minister is dan ook voornemens om deze week (week van 28 juli 2025) een vlucht aan te vragen. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
14. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.