ECLI:NL:RBDHA:2025:14491

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.31951
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 14 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 28 juli 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door een waarnemer van zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft de argumenten van eiser, waaronder de schending van zijn recht op rechtsbijstand en de onjuiste grondslag van de ophouding, overwogen. De rechtbank concludeert dat de minister zijn inspanningsverplichting niet heeft geschonden en dat de maatregel van bewaring rechtmatig is. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de uitzettingsprocedure van eiser, ondanks de betwisting van de nationaliteit door eiser.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31951
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Seth Paul, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
Inspanningsverplichting
2. Eiser stelt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. Hiertoe voert eiser aan dat het document M122 “Mededeling toepassing artikel 50, derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000” op 3 oktober 2022 is overhandigd aan eiser. Pas op 6 september 2024 wordt de eerste uitzettingshandeling uitgevoerd, namelijk een lp- aanvraag Algerije. Gelet op het beleid had de minister eerder moeten beginnen met uitzettingshandelingen.
3. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Bij het vonnis van 24 januari 2023 is eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het gerechtshof Amsterdam heeft eiser op 22 januari 2025 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 34 maanden. Van de minister had niet verwacht hoeven worden dat hij meteen met de uitzettingshandelingen zou beginnen in 2022, gezien de lange periode die eiser in strafrechtelijke detentie zou verblijven. De einddatum van zijn strafrechtelijke detentie was gepland op 14 juli 2025. De minister heeft ruim voor het einde van de strafrechtelijke detentie – op 6 september 2024 - een lp-aanvraag Algerije verzonden.
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat de minister zijn inspanningsverplichting niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ophouding
4. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld en gebleken dat de betrokkene geen rechtmatig verblijf had) en had artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn. Verweerder heeft dat kennelijk later opgemerkt en vastgesteld. Naar aanleiding hiervan moet er een belangenafweging plaatsvinden die uitvalt in het voordeel van eiser gelet op het vrijheidsontnemende aspect.
5. De rechtbank overweegt het volgende. Uit het op ambtseed opgemaakte proces- verbaal van bevindingen (HV11) van 15 juli 2025 volgt dat abusievelijk in het dossier van betrokkene is vermeld dat zijn identiteit is vastgesteld en dat dat niet juist is. Verder vermeldt het proces-verbaal dat betrokkene niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en dat de ophouding is geschied op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een van een kennelijke verschrijving die is gerectificeerd met het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Van een gebrek in de ophouding of een onrechtmatige gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
Recht op rechtsbijstand
6. Eiser voert aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Eiser stelt dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven dat hij een andere advocaat wilde. Vervolgens is hem medegedeeld dat de piketadvocaat niet kan worden aangepast vanwege het tijdstip (aanvang van het gehoor was om 19.47 uur). Gelet op artikel 100 van de Vw staat het de vreemdeling echter vrij om een advocaat te kiezen. Zijn advocaat was ook beschikbaar en bereikbaar. Dit betekent dat er een belangenafweging moet worden gemaakt die uitvalt in het voordeel van eiser omdat een schending op het recht op rechtsbijstand erg zwaar weegt.
7. De rechtbank overweegt als volgt. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, op 14 juli 2025 om 19.47 uur, verklaart eiser dat hij de aangewezen piketadvocaat niet wil en een andere advocaat wil. De gehoormedewerker geeft aan dat eiser het op dit moment met deze piketadvocaat moet doen, omdat hij deze niet kan aanpassen gezien het tijdstip. In het gehoor staat vermeld
: ”(…). De vreemdeling geeft aan dat dit oké is en dat hij deze advocaat accepteert.(…).”Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een schending op het recht op rechtsbijstand. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. Eiser betwist de zware gronden onder 3c, 3d en 3h. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware grond onder 3a en de lichte gronden onder 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.

Zorgvuldigheidsbeginsel en voortvarend handelen

10. Eiser stelt dat onduidelijk is waarom de minister een vertragende lp-aanvraag Marokko heeft ingediend. De nationaliteit van eiser wordt niet betwist door de minister. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat de minister in het bezit is van een kopie van eiser zijn Algerijnse rijbewijs. Daarmee staat vast dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. Vervolgens dient de minister een lp-aanvraag Marokko in, omdat eiser een keer zou hebben verklaard uit Marokko te komen. Gemachtigde van eiser heeft dat nergens terug kunnen vinden. Als één aanvraag wordt afgewezen, zal de minister zeggen dat de andere aanvraag nog loopt, zo werkt het niet volgens eiser. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te spreken van voortvarend handelen.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zorgvuldig en voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat een tweede lp-aanvraag niet vertragend werkt. Eiser werkt niet mee aan de vaststelling van zijn nationaliteit en dus zou Marokko het juiste land van herkomst van eiser kunnen zijn. De minister werkt juist efficiënt door naast de lp-aanvraag Algerije ook een lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Met betrekking tot de kopie van eiser zijn Algerijnse rijbewijs, overweegt de rechtbank dat dit slechts een kopie is en geen origineel document waardoor de Algerijnse nationaliteit niet vaststaat. Bovendien staat op de kopie van het Algerijnse rijbewijs een andere naam dan de naam waaronder eiser bekend staat in de asielprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 augustus 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.