In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 14 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 28 juli 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door een waarnemer van zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft de argumenten van eiser, waaronder de schending van zijn recht op rechtsbijstand en de onjuiste grondslag van de ophouding, overwogen. De rechtbank concludeert dat de minister zijn inspanningsverplichting niet heeft geschonden en dat de maatregel van bewaring rechtmatig is. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de uitzettingsprocedure van eiser, ondanks de betwisting van de nationaliteit door eiser.