Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een villawijk, omdat de toegepaste grondwaardestaffel volgens hem niet passend was gezien de afwijkende bestemming en het atypische karakter van zijn woning en perceel. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde van €1.051.000.
Tijdens de zitting op 22 juli 2025 werd vastgesteld dat de woning inderdaad afwijkt van de gebruikelijke woningen in de wijk, onder meer doordat het perceel uit bosgrond bestaat en de woning een twee-onder-een-kapwoning betreft. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn stelling dat het toepassen van de grondwaardestaffel tot een onevenwichtige waardering leidt.
Hoewel belanghebbende geen concrete alternatieve waarde aannemelijk kon maken, en ook de heffingsambtenaar zijn waarde niet kon onderbouwen, besloot de rechtbank ambtshalve een waarde vast te stellen. Hierbij werd rekening gehouden met de aanwezige bebouwing, waaronder twee garages, en werd de waarde vastgesteld op €930.000.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, wijzigde de beschikking en bepaalde dat de aanslagen onroerende-zaakbelastingen en watersysteemheffingen worden verminderd op basis van de nieuwe waarde. Tevens werd het betaalde griffierecht van €53 aan belanghebbende vergoed.