ECLI:NL:RBDHA:2025:1452

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
NL 24 38304
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbArt. 3.108 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen buitenbehandelingstelling aanvragen tijdelijke bescherming en asiel

Eiseres, een Oekraïense vrouw, had aanvragen ingediend voor tijdelijke bescherming en asiel, welke door verweerder buiten behandeling werden gesteld vanwege het niet tijdig melden bij de IND en het niet persoonlijk ondertekenen van de asielaanvraag. Eiseres voerde aan dat zij door een oogoperatie in Oekraïne was en afhankelijk was van derden voor communicatie, en dat haar dochter en moeder in Nederland tijdelijke bescherming genieten.

Tijdens de zitting stelde verweerder dat het niet persoonlijk afronden van de aanvraag niet verschoonbaar was en dat de procedure correct was gevolgd. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet had gereageerd op het voornemen en dat het haar verantwoordelijkheid was om dit te melden. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag terecht buiten behandeling was gesteld, maar dat het terugkeerbesluit niet in stand kon blijven omdat eiseres op dat moment niet in Nederland verbleef.

De rechtbank vernietigde het terugkeerbesluit, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Eiseres heeft inmiddels een nieuwe asielaanvraag lopen en verblijft in een asielzoekerscentrum. De uitspraak biedt haar de mogelijkheid tot een gunstigere positie in haar procedure.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het terugkeerbesluit wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38304

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Inleiding

In het besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiseres om verlening van tijdelijke bescherming en asiel buiten behandeling gesteld.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2025 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig [naam 1] . Tevens was aanwezig [naam 2] , de dochter van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1971 en de Oekraïense nationaliteit te hebben. Zij heeft zich begin 2024 bij de gemeente Bergen op Zoom laten inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP). Dit heeft zij gedaan omdat zij in aanmerking wil komen voor tijdelijke bescherming op grond van de regeling voor ontheemden uit Oekraïne. [1] Vanwege deze inschrijving is door verweerder een asielaanvraag geregistreerd.
2. In het voornemen van 12 augustus 2024 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij verplicht is om zich binnen vier weken bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te melden om aan te tonen dat zij aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming voldoet en om de asielaanvraag te ondertekenen. Dit heeft eiseres niet gedaan. Ook heeft eiseres geen contact opgenomen met de IND om te laten weten dat zij niet binnen vier weken kon langskomen. Evenmin heeft eiseres een zienswijze op het voornemen ingediend. In het bestreden besluit heeft verweerder daarom de aanvragen van eiseres om verlening van tijdelijke bescherming [2] en asiel [3] buiten behandeling gesteld. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit bepaald dat eiseres binnen vier weken moet terugkeren naar Oekraïne.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat zij vanwege een oogoperatie noodgedwongen moest terugkeren naar Oekraïne en dat zij voor het doorgeven van het voornemen afhankelijk was van derden in de gemeentelijke opvangvoorziening, die dat te laat hebben gedaan. Eiseres meent te voldoen aan alle voorwaarden voor tijdelijke bescherming, waarbij van belang is dat haar dochter en moeder in Nederland tijdelijke bescherming hebben. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een brief overgelegd over de tijdelijke bescherming van haar dochter. Ook heeft eiseres medische stukken uit Oekraïne met een vertaling overgelegd, alsmede foto’s van haar ogen. Ten aanzien van het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag beroept eiseres zich op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 december 2023. [4]
4. Tijdens de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is. Het is aan de lidstaten van de Europese Unie zelf om de aanvraagprocedure in te richten. In Nederland is het zo geregeld dat een aanvraag om verlening van tijdelijke bescherming in persoon bij de IND moet worden geformaliseerd, en dat een asielaanvraag in persoon moet worden ondertekend. [5] Dit heeft eiseres niet gedaan en het is niet onderbouwd dat dit verschoonbaar is. Het voornemen is namelijk op de juiste manier verzonden en eiseres heeft niet aangetoond dat zij bij de IND heeft gemeld dat zij tijdelijk niet in Nederland was. Het beroep op de aangehaalde rechtbankuitspraak slaagt niet, omdat die gaat over een andere situatie. Eiseres kan zich opnieuw laten inschrijven in de BRP en kan opnieuw haar recht op tijdelijke bescherming laten toetsen.
5. Eiseres heeft in reactie daarop nog het volgende aangevoerd. Vóór haar terugkeer naar Oekraïne kon eiseres geen contact krijgen met de IND. Daarom heeft zij nooit een paspoortsticker ter bevestiging van tijdelijke bescherming gekregen. Wel heeft zij in die periode leefgeld gekregen van de gemeente Bergen op Zoom en stond zij in de gemeentelijke opvangvoorziening ingeschreven op de kamer van haar dochter. Het is in eerste instantie de gemeente die het recht op tijdelijke bescherming beoordeelt. Het in persoon bij de IND afronden van de aanvraag is meestal slechts een formaliteit. Hierbij wijst eiseres op verweerders Werkinstructie 2022/17. [6] De dochter van eiseres is met eiseres mee teruggekeerd naar Oekraïne, maar is eerder weer naar Nederland gegaan. Bij aankomst in Nederland trof zij het voornemen en heeft zij naar de IND gebeld met de mededeling dat eiseres niet in staat was om op tijd te reageren. Hier is echter niets mee gedaan. Toen eiseres weer in Nederland aankwam, hoorde zij van de gemeente dat zij niet meer welkom was in de gemeentelijke opvangvoorziening en dat zij zich moest melden bij het aanmeldcentrum van de IND in [plaats 1]. Ten slotte heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte bepaald dat zij moet terugkeren naar Oekraïne, omdat daarbij niet is beoordeeld in hoeverre zij daar een reëel risico op ernstige schade loopt. [7]
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan beoordelen, moet worden vastgesteld of eiseres procesbelang heeft. Dit is het geval als zij met het voeren van deze procedure in een gunstigere positie kan komen. Tijdens de zitting is gebleken dat eiseres op 3 november 2024 weer terug naar Nederland is gekomen, dat zij opnieuw asiel heeft aangevraagd en dat zij momenteel in het asielzoekerscentrum te [plaats 2] verblijft. Als echter zou worden geoordeeld dat aan eiseres ten onrechte tijdelijke bescherming is onthouden, zou dat kunnen leiden tot gunstigere opvangvoorzieningen. Als zou worden geoordeeld dat de asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, zou dat kunnen leiden tot een eerdere ingangsdatum van een nog te verlenen asielvergunning. Hoewel het terugkeerbesluit zijn werking heeft verloren, in die zin dat eiseres al zelf is teruggekeerd naar Oekraïne, bestaat ook op dat punt nog procesbelang. [8] Het terugkeerbesluit zou namelijk nog mede ten grondslag kunnen worden gelegd aan een inreisverbod voor de duur van vijf jaar. Daarnaast heeft terechte betwisting van een terugkeerbesluit tot gevolg dat de signalering in het Schengeninformatiesysteem moet worden gewist. Het beroep kan dus inhoudelijk worden beoordeeld.
7. Niet in geschil is dat eiseres in de periode tussen 28 juli 2024 en 28 september 2024 niet in Nederland was. Met de door eiseres overgelegde stukken en vertaling is aannemelijk gemaakt dat zij in deze periode in Oekraïne een oogoperatie heeft ondergaan. Toch kan aan eiseres worden toegerekend dat zij niet heeft gereageerd op het voornemen, gelet op het volgende.
8. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres als aanvraagster van een verblijfsstatus om de gegevens en de documenten aan te leveren die nodig zijn om op die aanvraag te kunnen beslissen. Ook is het de verantwoordelijkheid van eiseres om een incomplete aanvraag aan te vullen binnen de daartoe gestelde termijn. [9] Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om bij verweerder te melden dat zij tijdelijk niet in Nederland was. Dat de dochter van eiseres dit op enig moment telefonisch zou hebben doorgegeven, is niet onderbouwd en blijkt, gelet op wat ter zitting hierover is besproken, ook niet uit de systemen van verweerder. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres heeft gesteld dat zij eerder wel herhaaldelijk contact heeft opgenomen met de IND voor het verkrijgen van een paspoortsticker en dat zij nog in afwachting was van een reactie daarop. In die omstandigheden ligt het nog minder voor de hand om uit Nederland te vertrekken zonder dit bij de IND te melden. Bovendien kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat het de gemeente is die het recht op tijdelijke bescherming beoordeelt. Dit is immers op grond van de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen aan verweerder. Daarnaast volgt wel degelijk uit de Werkinstructie 2022/17 dat verweerder een aanvullende beoordeling verricht, die onder meer bestaat uit een openbare-ordecheck. De door eiseres aangehaalde rechtbankuitspraak ondersteunt haar stellingen niet, omdat het daarin ging om een vreemdeling die niet reageerde op de vraag of die vreemdeling de asielaanvraag wilde doorzetten na het verlenen van tijdelijke bescherming.
9. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag van eiseres om verlening van tijdelijke bescherming terecht buiten behandeling gesteld. De aanvraag van eiseres om verlening van asiel is al terecht buiten behandeling gesteld omdat deze niet door eiseres in persoon is ingediend. [10]
10. Ondanks dat eiseres pas op de zitting gronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit, moet de rechtbank dit aspect in de beoordeling meenemen. [11] Een terugkeerbesluit kan gelet op artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn [12] worden uitgevaardigd aan een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft. Ten tijde van het bestreden besluit verbleef eiseres niet in Nederland. Alleen al daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven voor zover daarbij aan eiseres een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Omdat eiseres op dit moment een nieuwe asielaanvraag heeft lopen, ligt het niet in de rede om verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen. Omdat in zaken als deze geen sprake is van een voorafgaande bezwaarfase, heeft daarmee finale beslechting van dit geschil plaatsgevonden.
11. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.814 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres een terugkeerbesluit is uitgevaardigd;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro) aan proceskosten aan eiseres;
 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van de Europese Unie van 4 maart 2022.
2.Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
5.Artikel 3.108, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
6.https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293168_1/1/.
7.Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178.
9.Dit staat in de artikelen 4:2, tweede lid, en 4:5, eerste lid, van de Awb.
10.Gelet op artikel 3.108, eerste lid, van het Vb.
11.Hierbij verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat (ECLI:EU:C:2024:892).
12.Richtlijn 2008/115/EG.