ECLI:NL:RBDHA:2025:14522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.16461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen door minister op vreemdelingenaanvraag en vaststelling bestuurlijke dwangsom

Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig had beslist op hun aanvraag van 15 april 2024. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat eisers de minister na het verstrijken van de termijn hebben verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen. De minister heeft dit verzoek niet binnen die termijn ingewilligd, waarna het beroep is ingesteld.

Op 4 juni 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk geworden, en het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond omdat eisers geen gronden tegen dit besluit hebben aangevoerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een rechterlijke dwangsom, maar stelt wel een bestuurlijke dwangsom vast van €1.442,- wegens het niet tijdig beslissen binnen de gestelde termijn na ingebrekestelling. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €453,50, omdat het beroep terecht is ingediend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond, met vaststelling van een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- en veroordeling van de minister in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16461

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 15 april 2024. Dit beroep heeft van rechtswege ook betrekking op het alsnog genomen besluit.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk?
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [2] Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. [4]
3. Op 4 juni 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Omdat door de minister alsnog een besluit is genomen, is er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. [5]
4. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit is kennelijk niet-ontvankelijk.
Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit gegrond?
5. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. [6] Eisers hebben geen gronden ingediend die zien op het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit kennelijk ongegrond is.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. Er bestaat geen aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen, omdat de minister is tegemoet gekomen aan het verzoek van eisers en alsnog heeft beslist op de aanvraag.
Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
7. Eisers hebben gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-. [7] Dat is het maximale bedrag.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond.
9. Omdat de minister na het indienen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen, is het beroep terecht ingediend, en moet de minister de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De te vergoeden proceskosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. [8]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond;
  • stelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 2u van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
5.Artikel 8:55d van de Awb.
6.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
7.Artikel 4:17 van Pro de Awb.
8.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.