Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig had beslist op hun aanvraag van 15 april 2024. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat eisers de minister na het verstrijken van de termijn hebben verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen. De minister heeft dit verzoek niet binnen die termijn ingewilligd, waarna het beroep is ingesteld.
Op 4 juni 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk geworden, en het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond omdat eisers geen gronden tegen dit besluit hebben aangevoerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een rechterlijke dwangsom, maar stelt wel een bestuurlijke dwangsom vast van €1.442,- wegens het niet tijdig beslissen binnen de gestelde termijn na ingebrekestelling. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €453,50, omdat het beroep terecht is ingediend.