4.2.De minister verwijst ten aanzien van het niet houden van een hoorzitting naar het bestreden besluit waarin ter onderbouwing daarvan is overwogen dat een hoorzitting niet tot een ander oordeel zal leiden, omdat met een hoorzitting niets zal veranderen aan de vastgestelde sociale en economische binding van eiseres met Egypte of Marokko.
5. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat op grond van artikel 32, tweede lid, van de Visumcode, afwijzende beslissingen en de redenen voor de afwijzing enkel kenbaar hoeven te worden gemaakt door middel van een standaardformulier zonder nadere motivering, niet deugdelijk is. In artikel 32, tweede lid, van de Visumcode is bepaald dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de aanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI. Dit ontslaat de minister echter niet om op concrete wijze kenbaar en deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en overgelegde documenten niet tot visumverlening kunnen leiden. De minister heeft op zitting gewezen op de nadere motivering van het primaire besluit, maar de rechtbank ziet in die motivering enkele algemene overwegingen waarin niet concreet wordt ingegaan op de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden en overgelegde documenten. In de Visumcode is niet geregeld dat een concrete en op de zaak toegespitste motivering niet nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank moet een besluit tot afwijzing van een aanvraag visum kort verblijf dan ook voldoen aan de motiveringsvereisten van artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 41, tweede lid, van het Handvest van de Europese Unie, dat tezamen met het EVRMblijkens overweging 29 van de Visumcode in acht moet worden genomen. Artikel 41, tweede lid, van het Handvest bepaalt dat het recht op behoorlijk bestuur de plicht omvat van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden. Door de motivering in het primaire besluit niet concreet toe te spitsen op de feiten en omstandigheden van eiseres en daarbij bovendien, zonder nadere onderbouwing, aan te geven dat eiseres heeft nagelaten (aanvullende) documenten ter onderbouwing van de visumaanvraag te overleggen, hetgeen gelet op de stukken die eiseres heeft overgelegd onjuist is, heeft de minister dat besluit in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb en artikel 41, tweede lid, van de Handvest genomen. De motivering in het bestreden besluit hierover is derhalve niet juist en daardoor in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het standpunt van de minister dat, voor zover er motiveringsgebreken zouden zijn, deze in het bestreden besluit zijn hersteld, ontslaat de minister immers niet om al in de primaire besluitvormingsprocedure een op de zaak toegespitste en concrete kenbare en deugdelijke motivering te geven, en wanneer dit niet is gebeurd dit in het bestreden besluit te onderkennen.
6. De rechtbank is ook van oordeel dat de motivering van de minister om geen hoorzitting te houden, niet deugdelijk is. Uitgangspunt is dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarfase. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Eiseres heeft bij het indienen van de aanvraag verschillende bewijsstukken ingebracht. In bezwaar heeft eiseres nadere bewijsstukken overgelegd en een schriftelijk betoog gehouden waarom het primaire besluit volgens haar feitelijk en juridisch geen stand kan houden. Eiseres heeft daarbij expliciet verzocht om uitgenodigd te worden op een hoorzitting om haar bezwaar nader toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank was gelet op wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht op voorhand niet vanzelfsprekend dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De enkele motivering van de minister dat een hoorzitting tot geen ander oordeel zal leiden, omdat een hoorzitting niets zal veranderen aan de vastgestelde sociale en economische binding van eiseres met Egypte of Marokko, is gelet op het voorgaande en het toetsingscriterium van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, dan ook niet deugdelijk. Het bestreden besluit is gelet daarop niet alleen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar ook met artikel 7:3, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:2 van de Awb.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat aan het bestreden besluit nog een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit niet is aangegeven dat bij de boordeling van de visumaanvraag het algoritme Informatie Ondersteund Beslissen (IOB) is gebruikt. Dit blijkt ook niet uit het bestreden besluit. Voor de rechtbank is, gelet op zowel informatie uit het dossier van eiseres als uit het Algoritmeregisteren het daarin genoemde Factsheet Informatie Ondersteund Beslissen (IOB), duidelijk dat de minister in de primaire besluitvormingsprocedure het algoritme IOB gebruikt heeft. In het Algoritmeregister wordt dit immers in algemene zin aangegeven. Verder blijkt uit het door de minister geüploade document met titel ‘ [naam titel] ’ in het digitale dossier van eiseres, dat er sprake is geweest van een hit op 5A en 5B (waarbij wordt verwezen naar een lijstmededeling) en dat pas daarna de VA gegevens zijn verzonden en ontvangen door BAO voor onderzoek. Vervolgens staat er vermeld: “File has been checked, applicant is a FTT, has invitation letter from her husband in the NL, he will be sponsoring her.”