ECLI:NL:RBDHA:2025:1457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
NL 24 38305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in zaak tijdelijke bescherming en asiel

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de behandeling van haar beroep tegen het buiten behandeling stellen van haar aanvragen voor tijdelijke bescherming en asiel af te wachten in Nederland.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de hoofdzaak (beroep NL24.38304) inmiddels is beslist, waardoor een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Om die reden wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.

Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister van Asiel en Migratie tot betaling van proceskosten aan verzoekster, vastgesteld op €907, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor beroepsmatige rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan op 5 februari 2025 door voorzieningenrechter M.J. Schouw en griffier A.S. Hamans, en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38305

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van verzoekster om verlening van tijdelijke bescherming en asiel buiten behandeling gesteld.
Verzoekster heeft beroep (NL24.38304) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL24.38304 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Gelet op de uitkomst van de beroepszaak ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 907 (negenhonderdzeven euro) aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2025 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.