Eiseres diende op 23 december 2022 een aanvraag in bij de Raad voor Rechtsbijstand voor een vergoeding van piketbijstand aan een minderjarige tijdens een vervolgverhoor. Verweerder wees deze aanvraag aanvankelijk af en bleef bij dat besluit in bezwaar. Tijdens de beroepsprocedure kende verweerder alsnog de vergoeding toe, waarna eiseres het beroep introk en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder stelde dat een advocaat redelijkerwijs geen proceskosten hoeft te maken voor procedures over vergoedingen van verleende rechtsbijstand, verwijzend naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiseres betoogde dat verweerder de eerdere uitspraak van de rechtbank van 22 oktober 2022 negeerde en dat de kwestie feitelijk complex was, waardoor het uitgangspunt niet van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van feitelijke complexiteit. De rechtbank overwoog dat verweerder de piketvergoeding pas tijdens de beroepsprocedure toekende en dat deze werkwijze niet in beleid was verankerd, waardoor advocaten gedwongen worden bezwaar- en beroepsprocedures te starten. De rechtbank veroordeelde verweerder daarom in de proceskosten van eiseres, stelde deze vast op €1.230,50 met een wegingsfactor van 0,5 wegens samenhangende zaken, en veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van het griffierecht van €184.