Eiser diende op 1 februari 2023 een aanvraag in bij de Raad voor Rechtsbijstand voor vergoeding van piketbijstand aan een minderjarige tijdens een vervolgverhoor. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen en het bezwaar werd gehandhaafd. Tijdens de beroepsprocedure kende verweerder alsnog de vergoeding toe, waarna eiser het beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding.
Verweerder stelde dat een advocaat redelijkerwijs geen proceskosten hoeft te maken in procedures over vergoeding van verleende rechtsbijstand, verwijzend naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Eiser betoogde dat verweerder eerdere jurisprudentie van de rechtbank negeerde en dat de kwestie feitelijk complex was, waardoor proceskostenvergoeding op zijn plaats was.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van feitelijke complexiteit. De werkwijze van verweerder, die de vergoeding pas tijdens de procedure toekende en dit niet in beleid had verankerd, dwong advocaten tot bezwaar- en beroepsprocedures. De rechtbank paste een wegingsfactor toe vanwege samenhang met een soortgelijke zaak en stelde de proceskosten vast op € 1.230,50 plus vergoeding van het griffierecht van € 184,-.
De rechtbank veroordeelde de Raad voor Rechtsbijstand tot betaling van deze kosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter J.L.D. Timmermans op 12 juni 2025 en is openbaar.