ECLI:NL:RBDHA:2025:1462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
NL24.38775
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Rwandese journalist wegens onvoldoende aannemelijkheid

Eiser, een Rwandese journalist en freelancefotograaf, diende in 2019 een eerste asielaanvraag in die in 2022 werd afgewezen. Op 16 juni 2023 diende hij een tweede aanvraag in, gebaseerd op zijn lidmaatschap van de oppositie en zijn journalistieke activiteiten. De minister wees deze aanvraag af op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 wegens het ontbreken van een samenhangend en aannemelijk verhaal.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de geloofwaardigheid van eisers tweede asielmotief heeft betwijfeld. De overgelegde documenten, waaronder een conceptnotitie, perskaarten en online artikelen, waren kopieën die niet op echtheid konden worden onderzocht en vertoonden onderlinge inconsistenties. Ook de verklaringen van eiser over zijn contacten en activiteiten werden niet voldoende onderbouwd, ondanks zijn stelling dat vanwege vrees voor repercussies geen schriftelijke bewijzen konden worden overlegd.

De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de afgelopen twee jaar actief is geweest voor de oppositieorganisatie en dat zijn vrees voor vervolging onvoldoende is onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier M.A. Buikema.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser moet Nederland verlaten met een inreisverbod van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38775

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Verzijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser van 16 juni 2023.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft begin 2019 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 23 september 2022 afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast. Op 16 juni 2023 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 november 2024 afgewezen. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 november 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook krijgt eiser een inreisverbod voor de duur van 2 jaar. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingediend.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het asielrelaas
4.1
Eiser heeft aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Rwanda werkzaam geweest als journalist en dat hij een (digitale) krant had. Hierop heeft hij onder meer artikelen geschreven over een bepaalde familie. Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij als freelancefotograaf werkte voor de [media] en verschillende internationale kranten. Eiser heeft gesteld dat hij door de Rwandese autoriteiten als een kritische journalist en fotograaf wordt beschouwd. Om die reden vreest hij voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
4.2
Eiser heeft aan zijn tweede aanvraag ten grondslag gelegd dat hij lid is van de oppositie en de afgelopen twee jaar actief is geweest voor de [organisatie] . Eiser heeft een concept geschreven om juridische ondersteuning te bieden aan leden van de oppositie die in de gevangenis zitten. Omdat eiser kritisch is, kan hij niet naar zijn eigen land terug te keren. Hij vreest de Rwandese autoriteiten. Eiser heeft aan zijn tweede aanvraag de volgende documenten overgelegd: de conceptnotitie [organisatie] , een brief van [naam 2] , een kopie perskaart van [naam 2] , een artikel over [naam 2] , een kopie van een ID-kaart op naam van [naam 2] , een uitdraai van een online artikel van [media] , een screenshot van X en een uitdraai een online artikel van [media] .
4.3
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: 1) Eisers Identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) Eisers journalistieke uitingen over mensenrechten en andere gevoelige onderwerpen in Rwanda. Het eerste element vindt de minister geloofwaardig, het tweede element niet.
Het voornemen
5.1
De minister heeft in het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, aangegeven dat eisers verklaringen ten aanzien van zijn tweede asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Daarom heeft de minister getoetst of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, omdat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft aangegeven dat de problemen van eiser wegens het schrijven van kritische artikelen ook in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn geacht. Verder wordt niet gevolgd dat eiser de afgelopen twee jaar actief is geweest voor de [organisatie] . De minister vindt dat de door eiser overgelegde documenten ten aanzien van [naam 2] niet met elkaar rijmen. Ook komen deze niet overeen met informatie uit de beschikbare landeninformatie. Verder komen de verklaringen van eiser over het artikel van [media] niet overeen met de daadwerkelijke tekst van het artikel.
5.2
De minister heeft vastgesteld dat de overgelegde documenten allemaal kopieën betreffen, waardoor deze documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Daarnaast heeft eiser het artikel van [media] en de screenshot van X pas op de dag van het gehoor toegevoegd aan zijn dossier en heeft eiser hier niks over verklaard tijdens zijn gehoor. Aan de documenten kan niet de waarde worden gehecht welke eiser daaraan hecht.
Het bestreden besluit
6.1
In het bestreden besluit heeft de minister naar aanleiding van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht gemeend dat dit niet leidt tot een ander oordeel. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar screenshots van één WhatsAppgesprek met een vertaler heeft overgelegd, maar dat dit er niet toe leidt dat gevolgd wordt dat eiser de afgelopen twee jaar actief is geweest voor de [organisatie] . Van eiser had verwacht mogen worden dat hij meer had overgelegd om de contacten over zijn project met anderen te kunnen onderbouwen. Bovendien heeft eiser in dit verband geen enkel ander document overgelegd. Daarnaast wordt door eiser niet betwist dat zijn verklaringen ten aanzien van het concept/project niet met elkaar rijmen.
6.2
Ten aanzien van het contact met [naam 2] heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser tijdens de onderhavige procedure heeft verklaard dat het identiteitsnummer op de identiteitskaart van [naam 2] gewijzigd zou zijn, wat niet te rijmen valt met de eerdere verklaring van eiser dat een identiteitsnummer niet veranderd kan worden.
6.3
Ook wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat, nadat [naam 2] gearresteerd werd, het [organisatie 2] op last van de overheid is gesloten en dat daarom de landeninformatie een andere eigenaar toont. Volgens de minister blijkt uit landeninformatie dat er in 2020 al iemand anders de eigenaar was van het betreffende [organisatie 2] , dus al voor de gestelde arrestatie van [naam 2] . Eiser geen documenten overgelegd om zijn stelling te onderbouwen. Door de minister wordt niet gevolgd dat het niet kunnen verkrijgen van een nieuwe perskaart door [naam 2] en de problemen van [naam 2] , de problemen van eiser onderbouwen.
6.4
De minister is in het bestreden besluit verder ingegaan op de verklaringen van eiser over het artikel van [media] en de bewijswaarde van de overige documenten. Ten aanzien van de door eiser overgelegde screenshot van X heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hieruit niet valt op te maken dat eiser de beheerder is van deze pagina/account. Evenmin valt uit de screenshot op te maken wat eiser met het overleggen hiervan wil vertellen en wat de relevantie hiervan is voor zijn asielaanvraag.
Beoordeling beroepsgronden
7.1
Eiser voert aan dat dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig acht dat eiser actief geweest is voor de [organisatie] . Het is lastig de contacten die hij in dit kader heeft gehad te onderbouwen omdat het om gesprekken gaat. Ook de vrees voor repercussies vanuit de overheid zorgt ervoor dat contacten of afspraken niet worden vastgelegd. Bovendien is het contact met de vertaalster wel onderbouwd. De minister hecht hier onvoldoende waarde aan.
7.2
Deze beroepsgrond treft geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de enkele stelling van eiser dat door de minister de WhatsApp-berichten ten onrechte niet worden gewaardeerd, niet maakt dat dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld zoals weergegeven onder 6.1. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat van eiser als journalist verwacht mag worden dat hij meer had overgelegd om de contacten over zijn project met anderen, zoals journalisten, te kunnen onderbouwen. De stelling van eiser in de aanvullende gronden dat er geen afspraken en contacten worden vastgelegd maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De minister heeft eiser ook heeft tegengeworpen dat hij helemaal geen documenten heeft overgelegd die aannemelijk maken dat eiser de afgelopen twee jaar actief is geweest voor de [organisatie] . Daarbij heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser als journalist geen enkel contactgeven zou kunnen overleggen en niet zou bijhouden welke afspraken hij, onder meer via Zoom, met anderen zou hebben. Eiser heeft van deze meetings geen enkel bewijs overlegd.
8.1
Eiser voert verder aan dat de problemen van [naam 2] relevant zijn in zijn zaak, omdat ook hijzelf ook een kritisch journalist is en om die reden vreest voor soortgelijke problemen als [naam 2] heeft ondervonden. Ten onrechte heeft de minister dat wat eiser aanvoert niet gezien als onderbouwing van zijn positie en problemen als kritisch journalist.
8.2
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de enkele stelling van eiser dat de problemen van [naam 2] vergelijkbaar zijn met de problemen die hij verwacht onvoldoende heeft mogen vinden om eisers eigen problemen aannemelijk te achten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld zoals weergegeven onder 6.3. De stelling van eiser in de aanvullende gronden dat de minister heeft verzuimd aan te geven welke landeninformatie is gebruikt om te komen tot de conclusie dat [naam 2] niet de eigenaar was van het [organisatie 2] zoals wordt gesteld in de door eiser overgelegde brief, biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. De minister heeft in beroep alsnog de bedoelde landeninformatie overgelegd. Bovendien bestrijdt eiser verder niet dat de door hem overgelegde documenten ten aanzien van [naam 2] niet met elkaar rijmen. De minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken eisers gestelde te verwachten problemen vanwege het schrijven van kritische artikelen niet aannemelijk maken.
9. Eiser heeft gesteld dat het feit dat hij alvast is begonnen met zijn concept en niet heeft gewacht totdat hij bescherming heeft gekregen van de Nederlandse autoriteiten geen tegenstrijdigheid is, maar een kwestie van voortschrijdend inzicht.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard. Eiser heeft, ook op de zitting, niet weten uit te leggen waarom hij ondanks zijn gestelde vrees en zijn wens om hier te lande bescherming te krijgen voordat hij met een dergelijk project zou beginnen, toch met dit concept zou zijn gestart. De minister heeft dit punt op goede gronden tegenstrijdig geacht.
10. Omdat eiser in de gronden van beroep verder niet ingaat op het standpunt van de minister ten aanzien van het artikel van [media] , is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De enkele stelling van eiser in de aanvullende gronden dat hij de beheerder is van het account X maar dat hij dat alleen kan laten zien door in te loggen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister zich ten onechte op het standpunt heeft gesteld zoals weergegeven onder 5.2 en 6.4.

Conclusie en gevolgen

De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
Mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.