ECLI:NL:RBDHA:2025:14633

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.21730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Paragraaf C7/25 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse man wegens ongeloofwaardige bedreigingen door geheim genootschap

Eiser, een Nigeriaanse man behorend tot een specifieke bevolkingsgroep, heeft in juli 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Hij stelde te zijn bedreigd door een geheim genootschap dat hem dwong tot criminele activiteiten, en vreesde bij terugkeer vervolging of ernstige schade. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag in mei 2025 af wegens gebrek aan geloofwaardigheid van de bedreigingen en onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar.

De rechtbank behandelde het beroep in juni 2025 en oordeelde dat de minister terecht de verklaringen van eiser over de bedreigingen als ongeloofwaardig beschouwde. Eiser gaf wisselende en vage verklaringen over het aantal benaderingen, de omstandigheden en de aangifte bij de politie. Ook het nieuwe argument dat hij als christen vervolgd zou worden, werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat hij in zuidelijke regio's woonde waar christenen minder risico lopen.

Verder stelde eiser dat het opleggen van een inreisverbod onterecht was, omdat hij een sociaal netwerk in Nederland heeft en opnieuw gevaar loopt. De rechtbank vond dat het inreisverbod terecht was opgelegd conform de Vreemdelingenwet 2000, mede omdat de bedreigingen niet geloofwaardig waren en eiser zijn sociale situatie niet had onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en bevat informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van het inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarbij de minister niet geloofwaardig acht dat eiser in Nigeria is bedreigd door een geheim genootschap. Eiser is het hier niet mee eens en voert aan dat hij wel geloofwaardig heeft verklaard en dat hij bij terugkeer naar Nigeria wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook vindt eiser dat hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het besluit om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft op 2 juli 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Het asielrelaas
Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij tot de [plaats 3] bevolkingsgroep behoort. Eiser stelt enkele keren te zijn benaderd door leden van een geheim genootschap. Hij zou na een rituele eedaflegging in opdracht van het geheim genootschap misdrijven zoals inbraak, diefstal en beroving moeten begaan. Eiser is in 2013 voor het eerst benaderd. Dat ging toen nog op een vriendelijke manier. Eiser heeft toen geweigerd. In totaal is eiser drie keer benaderd. Toen hij voor de tweede keer werd benaderd was zijn vriend [persoon A] er ook bij. Er werd toen meer druk uitgeoefend en eiser werd bedreigd. De vader van eiser is de volgende dag naar de politie gegaan om aangifte te doen. Na de derde benadering in september 2013, waarbij eiser op straat is aangesproken en hij toen gevlucht is, is hij gedurende enkele maanden thuisgebleven. In februari 2014 wordt het levenloze lichaam van eisers vriend [persoon A] gevonden en vlucht eiser naar het in het noorden gelegen [plaats 1] , waar hij vier maanden verblijft om geld bijeen te krijgen om het land te kunnen verlaten. Eiser vertrekt vanuit Nigeria naar Libië omdat er in [plaats 1] spanningen zijn tussen moslims en christenen. Eiser vreest bij terugkeer gedwongen te worden om zich aan te sluiten bij het geheim genootschap, dan wel bij weigering hiervan door hen te worden gedood.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- bedreigingen door een geheim genootschap.
4.1.
De minister acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit en de bedreigingen door een geheim genootschap acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit niet aangetoond met documenten. Ook heeft eiser moedwillig niet de waarheid gesproken over het paspoort en heeft daar geen aannemelijke verklaring voor gegeven. Ook de bedreigingen door een geheim genootschap zijn door eiser niet onderbouwd met objectieve documenten. De verklaringen over de momenten waarop eiser is benaderd en de wetenschap over het geheime genootschap zijn bovendien wisselend en vaag. Eiser verklaart ook wisselend over het aantal mensen dat hem de eerste keer heeft benaderd en hij verklaart vaag en ontwijkend over de omstandigheden van de tweede benadering. Ook verklaart eiser vaag en wisselend over het moment dat hij zijn ouders voor het eerst over de benadering door het geheim genootschap heeft verteld en over de aangifte bij de politie die zijn vader heeft gedaan.
Acht de minister de verklaringen van eiser over de bedreigingen door een geheim genootschap ten onrechte ongeloofwaardig?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig acht en dat hij niet wisselend, vaag en/of ontwijkend heeft verklaard. Eiser voert aan dat de voorvallen in het verre verleden liggen en dat het daarom niet bevreemdend is dat hij niet meteen het juiste antwoord gaf op de vraag wanneer hij zijn ouders voor het eerst over de benaderingen door het geheim genootschap heeft verteld. Eiser heeft verklaard dat de mensen die hem benaderden een baret droegen. Het gegeven dat deze mensen een baret droegen was voor eiser slechts een aanwijzing dat hij te maken had met mensen die behoren tot het geheim genootschap. Eiser betoogt dat een combinatie van factoren maakt dat hij begreep dat hij daadwerkelijk werd benaderd door een crimineel geheim genootschap.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij zijn ouders over de benaderingen door het geheim genootschap heeft verteld. Eiser heeft eerst verklaard [1] dat hij alleen de tweede keer dat hij werd benaderd met zijn ouders heeft besproken. Vervolgens verklaart [2] eiser dat hij alleen de eerste keer dat hij werd benaderd aan zijn ouders heeft verteld en verder aan niemand anders. Dat de gebeurtenissen in een ver verleden liggen, maakt niet dat de minister eiser niet zou mogen tegenwerpen dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank komt tot eenzelfde oordeel met betrekking tot eisers verklaringen over zijn wetenschap dat hij met een geheim genootschap van doen had. Eiser verklaart dat hij ermee bekend is dat er in zijn land geheime genootschappen zijn die zich bezighouden met het plegen van misdrijven. Eiser verklaart daarbij enerzijds dat hij in zijn hoofd al wist dat het geen goede mensen waren. [3] Als eiser dan wordt gevraagd hoe hij die indruk kreeg, geeft hij eerst een ontwijkend antwoord. Vervolgens verklaart eiser dat hij aan de hand van de baretten die zij droegen direct al wist met wie hij van doen had en waar zij zich mee bezig hielden. [4] Eiser heeft overigens niet alle tegenwerpingen van de minister met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn relaas bestreden. De rechtbank is resumerend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreigingen door het geheim genootschap ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer naar Nigeria de kans op vervolging of ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij een gerede kans loopt om bij uitzetting naar Nigeria het slachtoffer te worden van ernstige schade, in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In beroep heeft eiser voor het eerst aangevoerd dat hij zich in Nigeria als christen onveilig voelt. Nigeria staat volgens hem op nummer zeven van de Ranglijst christenvervolging [5] , hetgeen volgens eiser betekent dat er sprake is van een extreem hoge mate van vervolging. Eiser heeft dit ook meermaals aan den lijve ondervonden.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Het door eiser naar voren gebrachte relaas en de vrees die hij hieraan ontleent, zijn niet geloofwaardig bevonden. Eiser heeft verder onvoldoende naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat hij als christen daadwerkelijk te vrezen heeft bij terugkeer naar Nigeria. Christenen zijn niet aangewezen als risicogroep in het asielbeleid ten aanzien van Nigeria. [6] De minister heeft zich in het verweerschrift en op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als christen gegronde vrees heeft te worden vervolgd of een reëel risico te lopen op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nigeria persoonlijk problemen heeft ondervonden vanwege zijn afkomst of religie. Eiser heeft slechts verklaard dat hij zag dat andere christenen om zich heen problemen kregen vanwege de religie. De minister acht dit terecht onvoldoende om een kans op vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Ook wijst de minister er in het verweerschrift terecht op dat er in het noorden van Nigeria conflicten zijn tussen moslims en christenen, maar dat eiser, behalve vier maanden in [plaats 1] , heel zijn leven in de vrij zuidelijk gelegen plaatsen [plaats 2] en [plaats 3] heeft gewoond en dat [plaats 3] de zetel is van het rooms-katholieke bisdom. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte een inreisverbod opgelegd?
8. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. De minister had om humanitaire redenen van het opleggen van een inreisverbod moeten afzien. Eiser voert aan dat hij de kans groot acht dat hij na uitzetting opnieuw moet vluchten voor zijn leven, vanwege het conflict met het geheim genootschap en de afwezigheid van overheidsbescherming in Nigeria. Daarnaast heeft eiser een leven en een sociaal netwerk in Nederland opgebouwd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het opleggen van een inreisverbod volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Daarnaast overweegt de rechtbank dat reeds onder 5.1 al is geoordeeld dat de minister de verklaringen van eiser over het conflict met het geheim genootschap terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft zijn stellingen over zijn leven en sociaal netwerk in Nederland ook niet onderbouwd. De minister heeft dan ook niet hoeven af te zien van het opleggen van een inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft terecht een inreisverbod opgelegd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van J. Poutsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Nader gehoor, pagina 13.
2.Nader gehoor, pagina 13.
3.Nader gehoor, pagina 12.
4.Nader gehoor, pagina 12.
5.Christenen in Nigeria | Ranglijst Christenvervolging.
6.Paragraaf C7/25 van de Vreemdelingencirculaire 2000.