Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1963 en heeft de Egyptische nationaliteit.
2. In de periode 1992 – 2019 heeft eiser zonder verblijfsrecht afwisselend in Nederland en België verbleven. In deze periode is hij religieus gehuwd met [referent] (referente), en zijn hun kinderen [kind 1] en [kind 2], een tweeling, en [kind 3] geboren. Gedurende het grootste gedeelte van deze periode heeft eiser met zijn gezin in [plaats] ingewoond bij zijn broer en diens echtgenote, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben.
3. Op 5 maart 2019 is eiser staandegehouden tijdens een controle van de Koninklijke Marechaussee en is hij in vreemdelingenbewaring gesteld. Vervolgens heeft hij een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 14 april 2019 is deze aanvraag afgewezen. Dit staat in rechte vast.
4. Vervolgens heeft eiser op 7 mei 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin het recht op privé- en familieleven is neergelegd. In het besluit van 4 juni 2019 is deze aanvraag afgewezen. In het besluit van 30 juli 2019 is eisers bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
5. In het besluit van 29 augustus 2019 is de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 augustus 2019 is eisers verzoek om gedurende zijn beroep tegen het besluit van 30 juli 2019 in Nederland te mogen blijven afgewezen. Eiser is op 2 september 2019 uitgezet naar Egypte en verblijft daar sindsdien.
6. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 26 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:594, is eisers beroep tegen het besluit van 30 juli 2019 gegrond verklaard, en is verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen. In het besluit van 1 juli 2022 is eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op 4 januari 2023 is dit besluit door verweerder ingetrokken. In het besluit van 1 augustus 2024 is eisers bezwaar voor de derde keer ongegrond verklaard. Het daartegen door eiser ingestelde beroep met zaaknummer NL24.33637 is momenteel aanhangig bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. 7. Deze zaak gaat over de aanvraag die eiser op 31 juli 2022 bij verweerder heeft ingediend. Deze aanvraag ziet op het verlenen van een mvv met als doel het verblijf als familie- of gezinslid bij referente. Een mvv is een soort inreisvisum. In het besluit van 14 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser niet is gehoord over zijn bezwaar. Verweerder stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat aan eiser geen mvv kan worden verleend omdat referente geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Daarnaast heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij geen referentenverklaring, antecedentenverklaring en bewijs van een rechtsgeldig huwelijk heeft overgelegd, en dat referente niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Volledigheidshalve heeft verweerder ook overwogen dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn broer en diens echtgenote, omdat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Ook weegt het belang van eiser om met zijn gezin in Nederland te wonen volgens verweerder niet op tegen het algemene belang van Nederland.
8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij en zijn partner al jaren bekend zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Dit maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het vereiste van geldig verblijfsrecht aan de zijde van de referent heeft als doel dat wordt voorkomen dat mensen Nederland inreizen voordat het recht op verblijf wordt vastgesteld. Aangezien dit doel in dit geval niet meer kan worden bereikt, heeft verweerder dit vereiste ten onrechte aan hem tegengeworpen. Daarnaast heeft referente in zoverre wel rechtmatig verblijf dat zij de beroepsprocedure die bij zittingsplaats Amsterdam loopt in Nederland mag afwachten. Ook voert eiser aan dat uit de voorgeschiedenis en de context van de procedure blijkt dat hij niet alleen verblijf bij zijn partner, maar ook bij zijn broer en diens echtgenote wenst. Volgens eiser is zijn religieuze huwelijk, zijn vaderschap en de familieband met zijn broer en diens echtgenote in eerdere procedures al vast komen te staan. Daarbij wijst hij met name op de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 26 januari 2021. Uit deze uitspraak blijkt ook dat het middelenvereiste ten onrechte is tegengeworpen. Omdat artikel 8 van het EVRM in het geding is, is er ten onrechte geen hoorzitting over het bezwaar geweest. Eiser benadrukt dat hij zijn partner en zijn kinderen al jaren niet meer heeft gezien. In het kader van de belangenafweging heeft verweerder ten onrechte overwogen dat het familieleven ook in Egypte kan worden voortgezet, aangezien dit van zijn broer en diens echtgenote gelet op hun Nederlandse nationaliteit en hun onderneming in Amsterdam niet mag worden verwacht. In beroep heeft eiser alsnog een antecedentenverklaring en referentenverklaringen overgelegd. Hierbij merkt hij op dat hij in de besluitvormende fase van verweerder geen herstelverzuimmogelijkheid heeft gekregen.
9. Tijdens de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in beroep overgelegde stukken te laat zijn, omdat het moment van het bestreden besluit bepalend is voor de vraag of eiser aan alle voorwaarden voldeed. Duidelijk is dat referente op dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat alleen al daarom het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Een herstelverzuimmogelijkheid of een hoorzitting had hierin geen verandering kunnen brengen. Dat referente de beroepsprocedure bij zittingsplaats Amsterdam in Nederland mag afwachten, is hiervoor niet voldoende. Alle andere voorwaarden zijn ten overvloede tegengeworpen, maar wel op goede gronden. Verweerder houdt dan ook staande dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn broer en diens echtgenote. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser gelet op de ingediende aanvraag in deze procedure alleen verblijf bij zijn partner heeft aangevraagd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
10. Een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid kan op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) alleen worden verleend aan een gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon (referent).
11. Op grond van artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb dient de hoofdpersoon die geen Nederlander is te beschikken over rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
12. Niet in geschil is dat referente geen verblijfsvergunning heeft in Nederland, en dat zij alleen in Nederland mag verblijven omdat zij de beroepsprocedure bij zittingsplaats Amsterdam mag afwachten. Dit is geen rechtmatig verblijf zoals bedoeld in de hiervoor onder 11 genoemde onderdelen van artikel 8 van de Vw. Hoewel deze regels beogen te voorkomen dat personen die geen aanspraak kunnen maken op rechtmatig verblijf in Nederland toch Nederland inreizen, maakt de omstandigheid dat eiser al lange tijd (onrechtmatig) in Nederland verblijft niet dat aan deze voorwaarde kan worden voorbijgegaan. Verweerder heeft dan ook op goede gronden overwogen dat aan eiser geen mvv kan worden verstrekt voor verblijf als familie- of gezinslid bij referente.
13. Daarnaast kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder ook had moeten beoordelen of er een mvv voor verblijf bij zijn broer of diens echtgenote moest worden verstrekt. Dit heeft eiser in zijn aanvraag van 31 juli 2022 namelijk niet aangevraagd. Verweerder had dit ook niet desondanks uit de context of uit de voorgaande procedures hoeven afleiden, temeer aangezien er op het moment van deze aanvraag nog een bezwaarprocedure openstond die onder meer betrekking had op verblijf bij de broer en diens echtgenote.
14. Een herstelverzuimmogelijkheid in de besluitvormingsfase of een hoorzitting over het bezwaar had niet kunnen leiden tot rechtmatig verblijf aan de zijde van referente. Dit had daarom niet kunnen afdoen aan de overweging van verweerder dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde mvv. Verweerder heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door dit achterwege te laten. Hieruit vloeit verder voort dat de rechtbank niet toekomt aan bespreking van de overige beroepsgronden, die immers betrekking hebben op de andere voorwaarden.
15. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
16. Voor een proceskostenveroordeling en voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.