Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure. Eiser, die een asielaanvraag had ingediend, kreeg te horen dat zijn aanvraag niet in behandeling zou worden genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk was voor de behandeling. Eiser heeft op 2 april 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroepschrift van eiser geen gronden bevatte, wat in strijd is met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. De rechtbank heeft eiser de gelegenheid gegeven om binnen vijf werkdagen gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank op 11 april 2025 eiser gevraagd om te bevestigen of er geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot herstel en of hiervoor een verschoonbare reden is. Eiser heeft bevestigd dat er geen gronden zullen worden ingediend, en er is geen verschoonbare reden gebleken voor het niet indienen van gronden.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er bijzondere feiten of omstandigheden waren die een inhoudelijke behandeling van het beroep rechtvaardigden, maar heeft geconcludeerd dat dit niet het geval was. Daarom heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard op basis van artikel 6:6 van de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak.