ECLI:NL:RBDHA:2025:14774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.14607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een alleenstaande minderjarige vreemdeling uit Afghanistan met betrekking tot geloofwaardigheidsbeoordeling en terugkeerbesluit

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een alleenstaande minderjarige vreemdeling uit Afghanistan. Eiser heeft op 24 april 2024 zijn asielaanvraag ingediend, maar deze is op 21 maart 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 16 juli 2025 behandeld in Breda, waar eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk en een begeleider.

De rechtbank heeft de afwijzing van de asielaanvraag beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser stelt dat hij in Afghanistan bedreigd is door de Taliban en dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer. De rechtbank concludeert dat de minister de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig achtte en dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd van eiser en dat de procedure zorgvuldig is verlopen.

De rechtbank heeft ook het opgelegde terugkeerbesluit beoordeeld. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de huidige situatie in Afghanistan en dat zijn ouders zelf ook ontheemd zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat er adequate opvang voor eiser is bij zijn ouders in Afghanistan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14607

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het met die afwijzing niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Vanaf 4 staat het procesverloop in dit geding. Daar zijn ook de van belang zijnde feiten en omstandigheden vermeld die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 9. Daarbij gaat de rechtbank in op de zorgvuldigheid van de procedure (9) en op de geloofwaardigheid van het asielrelaas (13). Daarna bespreekt de rechtbank nog het opgelegde terugkeerbesluit (16). Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2010 en dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft. Op 24 april 2024 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk, [naam 2] als begeleider ( [stichting] ) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in 2021 vertrokken uit Afghanistan. Aanleiding voor het vertrek was een incident op een vrijdag toen hij naar het vrijdaggebed wilde gaan. Onderweg zag hij vier mannen met lange baarden. Twee mannen waren aan het kijken en twee mannen waren aan het graven. Hij zag dat ze twee plastic vaten bij zich hadden. De politie had op school verteld over explosieven in plastic vaten en dat, als ze zoiets zagen, ze dit moesten doorgeven. Iedereen had het telefoonnummer genoteerd in hun schriften. De twee mannen die aan het kijken waren, hebben eiser gezien. Ze vroegen hem wat hij daar deed. Hij antwoordde dat hij naar het vrijdaggebed ging. Toen heeft hij een klap gekregen, waarna hij terug ging naar huis. Daar heeft hij de politie gebeld. De volgende avond is zijn vader gebeld en bedreigd, eiser vermoedt door de Taliban. Gezegd is dat vader eiser moest overdragen. Eiser was bang dat hij na overdracht direct zou worden vermoord of dat hij zou worden getraind voor het plegen van een zelfmoordaanslag. Vader heeft eiser naar zijn tante gebracht en een dag later vertrok hij naar Jalalabad. Daarna heeft hij Afghanistan verlaten. Daarna heeft hij in verschillende landen verbleven, waaronder Iran en Turkije. Eiser vreest dat hij bij terugkeer alsnog in de handen zal komen van de Taliban. Ook na zijn vertrek zijn er mannen bij zijn ouders thuis geweest, die hebben gevraagd waar hij is.
Het bestreden besluit
8. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond omdat hij de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig acht. Volgens verweerder vormen de verklaringen van eiser over de gestelde problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder vindt verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning, omdat eiser nog in contact staat met zijn in Afghanistan wonende ouders en dat adequate opvang door zijn ouders mogelijk is. Verweerder heeft tot slot bepaald dat eiser moet terugkeren naar Afghanistan.
Zorgvuldigheid
9. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn jonge leeftijd. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder, na een leeftijdsschouw, is uitgegaan van de door eiser in de aanvraag opgegeven geboortedatum en minderjarige leeftijd. Eiser is vervolgens als amv [1] gehoord in het bijzijn van een voogd van [stichting] . Verweerder heeft toegelicht dat amv’s worden gehoord door medewerkers die zijn opgeleid om minderjarige asielzoekers te horen. Een exemplaar van de verslagen van de gehoren, het voornemen en de beschikking zijn ook naar de Stichting gestuurd. Dat eiser op de dag van zijn aanvraag niet is bijgestaan door een voogd of rechtsbijstandverlener, maakt niet dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
10. Eiser heeft gesteld dat verweerder zich bij zijn beoordeling niet heeft gehouden aan zijn eigen werkinstructie en wat daarin is bepaald over het ‘referentiekader’. [2] De rechtbank stelt vast dat de werkinstructie voorschrijft dat verweerder kenbaar rekening houdt met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling verlangd mag worden. Vermeld is ook dat leeftijd een aspect is dat daarbij van belang kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken voldoende kenbaar blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, en in het bijzonder met zijn jonge leeftijd. Dat hoeft in de beschikking niet expliciet te worden benoemd. Uit de verslagen van gehoor blijkt dat eiser uitvoerig en gedetailleerd heeft verklaard. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt ook dat de hoormedewerker meerdere keren heeft gevraagd hoe eiser zich voelde, of eiser nog vragen had, of hij de vragen goed begreep en of hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Eiser heeft aan het einde van het nader gehoor verklaard dat hij het een heel goed gesprek vond.
11. De rechtbank concludeert dat eiser op zorgvuldige wijze is gehoord en dat het bestreden besluit op zorgvuldige wijze is voorbereid.
12. Dat betekent ook dat verweerder in zijn beoordeling heeft mogen afgaan op de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de gehoren.
Geloofwaardigheid
13. De rechtbank stelt vast dat van de acht tegenwerpingen in het voornemen, er in het bestreden besluit nog vijf zijn overgebleven.
 Verweerder blijft erbij dat eiser niet kan verklaren waarom de Taliban vermoedt dat juist hij hen heeft verklikt bij de autoriteiten.
 Niet wordt ingezien dat de vader van eiser na meer dan drie jaar na het vertrek van eiser nog lastig wordt gevallen door de Taliban, en dat dit ondanks de bezoeken en bedreigingen niet tot consequenties heeft geleid voor de vader.
 Eiser heeft wisselend verklaard over de keren dat de Taliban bij hem thuis is langs geweest.
 Eiser heeft wisselend verklaard over of hij zich nu wel of niet heeft verstopt voor de Taliban bij het incident.
 Verweerder acht het niet aannemelijk dat de Taliban op klaarlichte dag een bom plaatst.
14. Verweerder heeft in het bestreden besluit goed gemotiveerd waarom hij die vijf tegenwerpingen in stand houdt en heeft daarbij ook voldoende gemotiveerd gereageerd op de zienswijzen die eiser daarover heeft ingediend. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet op welke punten eiser wisselend heeft verklaard. Verweerder heeft bijvoorbeeld terecht vastgesteld dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij zich bij het incident schuil heeft gehouden achter een muur [3] en anderzijds dat hij stilstond en er geen plek was om zich schuil te houden. [4] Eiser heeft deze tegenstrijdigheid in de beroepsgronden onvoldoende verklaard. De beroepsgrond dat eiser zich wel had willen verstoppen, maar dat dit niet lukte omdat hij al was gezien, is niet te rijmen met de gedetailleerde verklaring bij het aanmeldgehoor dat hij zich heeft schuilgehouden achter een muur. Eiser heeft in zijn beroepsgronden ook onvoldoende steekhoudende argumenten aangevoerd om alle gemaakte tegenwerpingen te weerleggen of om eiser het voordeel van de twijfel te geven.
15. Daaruit volgt ook dat verweerder heeft kunnen concluderen dat het niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De asielaanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.
Terugkeerbesluit
16. In het bestreden besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.
17. Uit het arrest TQ [5] volgt dat verweerder, voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit, de situatie van een minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. Verweerder moet zich in dat kader ervan overtuigen dat voor de minderjarige adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer.
18. Eiser heeft onder verwijzing naar dat arrest aangevoerd dat verweerder in het terugkeerbesluit geen rekening heeft gehouden met de huidige situatie in Afghanistan en dat niet is gebleken dat de belangen van het kind bij de besluitvorming zijn betrokken. Een toekomstig verblijf bij de ouders in Afghanistan kan volgens eiser in dit geval niet gelden als adequate opvang als bedoeld in het arrest, aangezien zijn ouders zelf ook ontheemd zijn geraakt, zijn gevlucht naar Kabul, en daar leven in sobere/schrijnende omstandigheden.
19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit terecht aan eiser heeft opgelegd. Verweerder heeft kenbaar rekening gehouden met de belangen van het kind en heeft zich in dat verband ervan vergewist dat er adequate opvang is voor eiser in Afghanistan bij zijn ouders. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat eiser goed en regelmatig contact heeft met zijn ouders en dat hij weet waar zij wonen. De stelling in beroep dat eisers ouders zelf ook ontheemd zijn, is niet onderbouwd en komt niet overeen met wat eiser daarover bij het nader gehoor heeft verklaard. Nader onderzoek was onder de gegeven omstandigheden niet nodig.

Conclusie en gevolgen

20. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en daarbij een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is ongegrond.
21. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitgesproken in bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Alleenstaande minderjarige vreemdeling.
2.WI 2024/6, pagina 7.
3.Rapport aanmeldgehoor, pagina 8.
4.Rapport nader gehoor, pagina 12.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.